Opdrachten per week Client en context
Week 2
Werkgroep bijeenkomst 1
1. Wat zijn op dit moment de belangrijke onderwerpen en vraagstukken binnen de
ontwikkelingspsychologie?
2. Hoe zal de toekomst van ontwikkelingspsychologie er mogelijkerwijs uitzien?
3. Hoe kunnen onderzoekers door tweelingen die bij de geboorte van elkaar zijn gescheiden
te bestuderen, vaststellen wat de gevolgen zijn van genetische of omgevingsfactoren op
de ontwikkeling van de mens?
4. Als een eicel en een zaadcel tijdens de bevruchting samensmelten, is het zeker dat de
eicel een X-chromosoom levert, terwijl de zaadcel of een X- of een Y-chromosoom levert.
Als de zaadcel zijn X-chromosoom doorgeeft, is het kind een meisje. Geeft de zaadcel
een Y-chromosoom door, dan is het een jongen. Betekent dit dat de kans op een meisje
groter is?
5. Welke verklaring zou een verloskundige geven voor het feit dat het hoofd van een
pasgeborene zo groot is? En een aanhanger van de hechtingstheorie van Bowlby?
6. Waarom zou het verdriet of het gebrek aan emotionele expressie van een depressie
Week 3
Werkgroepbijeenkomst 2
7. welke invloed hebben biologie en omgeving op de fysieke groei van een kind dat als baby
uit een ontwikkelingsland geadopteerd is en dat in een geïndustrialiseerd land opgroeit?
8. Vanuit het perspectief van een leerkracht: waarom is het belangrijk om te weten in
hoeverre een kind het concept conservatie begrijpt?
9. Hoe verhouden Eriksons stadia van vetrouwen versus wantrouwen, autonomie versus
schaamte en twijfel en initiatief versus schuldgevoel zich tot het begrip van veilige
gerechtigheid.
Week 4
Werkgroepbijeenkomst 3
10. Waarom is het belangrijk dat een social worker zich bewust is van ontwikkelingen in de
grove motoriek in de periode tussen 6 en 12 jaar?
11. Hoe zou het komen dat de kloof tussen arme en meer welvarende kinderen in de loop
van hun schooltijd niet alleen blijft bestaan maar zelfs groter wordt?
12. De – positieve en negatieve – verwachtingen van leraren over hun leerlingen kunnen
daadwerkelijk positieve of negatieve resultaten bij hun leerlingen opleveren. Hoe kunnen
we dat rijmen met wat we weten over gevoel van eigenwaarde?
13. Waarom zouden relaties met broers of zussen een groter effect hebben op hoe kinderen
met anderen leren omgaan dan relaties met vrienden en vriendinnen?
Week 5
Werkgroepbijeenkomst 4
14. Jongens die vroeg rijp zijn, zijn vaak beter in sport en hebben een positiever zelfbeeld.
Waarom kan vroege rijping ook negatieve kanten hebben?
15. Obesitas is tegenwoordig het meest voorkomende voedselprobleem bij het opgroeien.
Kun je een aantal negatieve psychische gevolgen noemen van obesitas in de
adolescentie
16. Wat is het verband tussen cognitieve ontwikkeling en morele ontwikkeling? Welke
cognitieve vaardigheden liggen ten grondslag aan de stadia van morele ontwikkeling van
Kohlberg en Gilligan?
17. Kun je een aantal consequenties noemen van de verschuiving van afhankelijkheid van
volwassenen naar afhankelijkheid van leeftijdgenoten bij adolescenten? Wat zijn de
voordelen daarvan? En de gevaren?
Week 2
Werkgroep bijeenkomst 1
1. Wat zijn op dit moment de belangrijke onderwerpen en vraagstukken binnen de
ontwikkelingspsychologie?
2. Hoe zal de toekomst van ontwikkelingspsychologie er mogelijkerwijs uitzien?
3. Hoe kunnen onderzoekers door tweelingen die bij de geboorte van elkaar zijn gescheiden
te bestuderen, vaststellen wat de gevolgen zijn van genetische of omgevingsfactoren op
de ontwikkeling van de mens?
4. Als een eicel en een zaadcel tijdens de bevruchting samensmelten, is het zeker dat de
eicel een X-chromosoom levert, terwijl de zaadcel of een X- of een Y-chromosoom levert.
Als de zaadcel zijn X-chromosoom doorgeeft, is het kind een meisje. Geeft de zaadcel
een Y-chromosoom door, dan is het een jongen. Betekent dit dat de kans op een meisje
groter is?
5. Welke verklaring zou een verloskundige geven voor het feit dat het hoofd van een
pasgeborene zo groot is? En een aanhanger van de hechtingstheorie van Bowlby?
6. Waarom zou het verdriet of het gebrek aan emotionele expressie van een depressie
Week 3
Werkgroepbijeenkomst 2
7. welke invloed hebben biologie en omgeving op de fysieke groei van een kind dat als baby
uit een ontwikkelingsland geadopteerd is en dat in een geïndustrialiseerd land opgroeit?
8. Vanuit het perspectief van een leerkracht: waarom is het belangrijk om te weten in
hoeverre een kind het concept conservatie begrijpt?
9. Hoe verhouden Eriksons stadia van vetrouwen versus wantrouwen, autonomie versus
schaamte en twijfel en initiatief versus schuldgevoel zich tot het begrip van veilige
gerechtigheid.
Week 4
Werkgroepbijeenkomst 3
10. Waarom is het belangrijk dat een social worker zich bewust is van ontwikkelingen in de
grove motoriek in de periode tussen 6 en 12 jaar?
11. Hoe zou het komen dat de kloof tussen arme en meer welvarende kinderen in de loop
van hun schooltijd niet alleen blijft bestaan maar zelfs groter wordt?
12. De – positieve en negatieve – verwachtingen van leraren over hun leerlingen kunnen
daadwerkelijk positieve of negatieve resultaten bij hun leerlingen opleveren. Hoe kunnen
we dat rijmen met wat we weten over gevoel van eigenwaarde?
13. Waarom zouden relaties met broers of zussen een groter effect hebben op hoe kinderen
met anderen leren omgaan dan relaties met vrienden en vriendinnen?
Week 5
Werkgroepbijeenkomst 4
14. Jongens die vroeg rijp zijn, zijn vaak beter in sport en hebben een positiever zelfbeeld.
Waarom kan vroege rijping ook negatieve kanten hebben?
15. Obesitas is tegenwoordig het meest voorkomende voedselprobleem bij het opgroeien.
Kun je een aantal negatieve psychische gevolgen noemen van obesitas in de
adolescentie
16. Wat is het verband tussen cognitieve ontwikkeling en morele ontwikkeling? Welke
cognitieve vaardigheden liggen ten grondslag aan de stadia van morele ontwikkeling van
Kohlberg en Gilligan?
17. Kun je een aantal consequenties noemen van de verschuiving van afhankelijkheid van
volwassenen naar afhankelijkheid van leeftijdgenoten bij adolescenten? Wat zijn de
voordelen daarvan? En de gevaren?