Samenvatting natuurkunde 2 vwo.
Hoofdstuk 3, Stoffen
3.1 Stoffen en stofeigenschappen.
Stoffen
• Materialen zijn voorbeelden van wat in de natuur-en scheikunde stoffen worden genoemd.
Voorbeelden van stoffen zijn: water, lucht en plastic.
Mengsels en zuivere stoffen
• De meeste stoffen in het dagelijkst leven zijn mengsels van twee of meer andere stoffen
• Zeewater is een mengsel van water, zout en zand.
• Als een stof geen mengsel is noem je het een zuivere stof. (Bijvoorbeeld kristalsuiker).
Stofeigenschappen
• Stofeigenschappen zijn eigenschappen waaraan je een stof herkent.
• Bijvoorbeeld: geur, brandbaarheid, elektrische geleiding, dichtheid en kookpunt.
Pictogrammen
• Pictogram = een plaatje om duidelijk te maken wat de gevaren zijn van bepaalde stoffen.
, 3.2 Dichtheid
Dichtheid
• Dichtheid kun je meten, het is een grootheid.
• Het symbool voor dichtheid is de Griekse letter ρ (spreek je uit als rho).
• De eenheid van dichtheid is g/cm3 (gram per kubieke centimeter).
• Dichtheid is een belangrijke stofeigenschap, want je kunt er een stof aan herkennen.
Dichtheid berekenen
• De dichthied is het aantal gram van één kubieke centimeter stof.
• Het aantal gram noem je de massa (m) van de stof.
• Het aantal kubieke centimeter noem je het volume (V) van de stof.
• De dichtheid van een stof bereken je door de massa te delen door het volume.
Massa en volume bepalen
• Massa meet je met een weegschaal
• De eenheid van massa is kilogram (kg) of gram (g)
• De ruimte die een voorwerp inneemt, is het volume.
• De eenheid van volume is kubieke meter (m3), kubieke dm (dm3) of kubieke centimeter (cm3).
• Vaak gebruik je ook milliliter (mL) of liter (L).
• 1 mL = 1cm3, 1 L = 1 dm3.
• Bij rechthoekige voorwerpen kun je het volume eenvoudig berekenen door lengte, breedte en
hoogte met elkaar te vermenigvuldigen.
• Formule: V = l x b x h.
• Bij andere voorwerpen bepaal je het volume met de onderdompelmethode.
• Je doet een hoeveelheid water in een maatcilinder en leest het volume zo precies mogelijk af.
Vervolgens dompel je het voorwerp onder water en lees je het volume opnieuw af. Het verschil
tussen de meting voor en na het onderdompelen is het volume van het voorwerp.
Hoofdstuk 3, Stoffen
3.1 Stoffen en stofeigenschappen.
Stoffen
• Materialen zijn voorbeelden van wat in de natuur-en scheikunde stoffen worden genoemd.
Voorbeelden van stoffen zijn: water, lucht en plastic.
Mengsels en zuivere stoffen
• De meeste stoffen in het dagelijkst leven zijn mengsels van twee of meer andere stoffen
• Zeewater is een mengsel van water, zout en zand.
• Als een stof geen mengsel is noem je het een zuivere stof. (Bijvoorbeeld kristalsuiker).
Stofeigenschappen
• Stofeigenschappen zijn eigenschappen waaraan je een stof herkent.
• Bijvoorbeeld: geur, brandbaarheid, elektrische geleiding, dichtheid en kookpunt.
Pictogrammen
• Pictogram = een plaatje om duidelijk te maken wat de gevaren zijn van bepaalde stoffen.
, 3.2 Dichtheid
Dichtheid
• Dichtheid kun je meten, het is een grootheid.
• Het symbool voor dichtheid is de Griekse letter ρ (spreek je uit als rho).
• De eenheid van dichtheid is g/cm3 (gram per kubieke centimeter).
• Dichtheid is een belangrijke stofeigenschap, want je kunt er een stof aan herkennen.
Dichtheid berekenen
• De dichthied is het aantal gram van één kubieke centimeter stof.
• Het aantal gram noem je de massa (m) van de stof.
• Het aantal kubieke centimeter noem je het volume (V) van de stof.
• De dichtheid van een stof bereken je door de massa te delen door het volume.
Massa en volume bepalen
• Massa meet je met een weegschaal
• De eenheid van massa is kilogram (kg) of gram (g)
• De ruimte die een voorwerp inneemt, is het volume.
• De eenheid van volume is kubieke meter (m3), kubieke dm (dm3) of kubieke centimeter (cm3).
• Vaak gebruik je ook milliliter (mL) of liter (L).
• 1 mL = 1cm3, 1 L = 1 dm3.
• Bij rechthoekige voorwerpen kun je het volume eenvoudig berekenen door lengte, breedte en
hoogte met elkaar te vermenigvuldigen.
• Formule: V = l x b x h.
• Bij andere voorwerpen bepaal je het volume met de onderdompelmethode.
• Je doet een hoeveelheid water in een maatcilinder en leest het volume zo precies mogelijk af.
Vervolgens dompel je het voorwerp onder water en lees je het volume opnieuw af. Het verschil
tussen de meting voor en na het onderdompelen is het volume van het voorwerp.