Geschiedenis samenvatting
Par 1:
Landbouw was in de tijd van de monniken en ridders het enige middel van bestaan.
Boeren gingen meer voedsel verbouwen dan ze nodig hadden. Datgene wat ze
overhadden verkochten ze op de markt of ruilden het met producten die ze zelf niet
maakten. Doordat er meer handel was kwamen er munten en ontstond er een
geldeconomie. Met de arabische halsjuk konden de boeren sneller ploegen. Het oude
halsjuk sneed het dier de adem af. Door hoefijzers konden de dieren zwaardere ploegen
trekken.
Geldeconomie= een samenleving waarbij mensen elkaar met geld betalen.
Drieslagstelsel= methode van lanbouw waarbij het akkerland in drie stukken is
verdeeld: 1 deel wordt gebruikt voor zomergraan, 1 deel voor wintergraan en een deel
ligt braak. De delen wisselen elkaar elk jaar af.
Tussen 950 en 1300 was er meer voedsel nodig en ook meer grond daarom gaven de
heren de boeren toestemming om bossen, moerassen en heidevelden te ontginnen zo
werden de gronden geschikt voor landbouw.
Ontginnen= het voor landbouw bruikbaar maken van bossen en moerassen.
Het midden van Europa werd getroffen met de ziekte de Zwarte dood waardoor 1 3 de
van de bevolking stierf.
Zwarte dood= de pest: een zeer besmettelijke ziekte waarbij mensen zwarte bulten over
hun hele lichaam krijgen en binnen een paar dagen sterven.
Par 2
Bij kastelen, kloosters en kruispunten ontstonden er steden, omdat het er veilig was en
je gemakkelijk producten kon aanvoeren werden er markten gehouden. Er trokken
steeds meer mensen naar die plaatsen en zo waren er rond 1300 ong 1000 steden in
Europa. De vikingen stopten met plunderen en daarna werd het weer veiliger om verre
reizen te maken en nam de handel van grotere afstanden ook weer toe. Italianen
handelden met arabieren die zijde, katoen, suiker en specerijen uit AziË en Afrika
verkochten. De Europeanen verkochten vooral hout en wollen stoffen. Genua en VenetiË
werden de belangrijktste handelssteden in zuid-europa.
Handelssteden= een stad waarin handel het voornaamste middel van bestaan is.
In Noord-Europa groeide de handel in: graan, ijzer, vis, wol en linnen. De handelssteden
gingen samenwerken om de handel uit te breiden en hun kooplieden te beschermen
tegen concurrenten. Dit verbond heette de hanze. De stad Brugge werd een belangrijke
havenstad. Hier ontmoetten de hanzekooplieden de kooplieden uit landen rond de
middellandse zee.
Hanze= vereniging van samenwerkende Noordwest-Europese handelssteden die in de
14de en 15de eeuw op haar machtigst was.
Par 1:
Landbouw was in de tijd van de monniken en ridders het enige middel van bestaan.
Boeren gingen meer voedsel verbouwen dan ze nodig hadden. Datgene wat ze
overhadden verkochten ze op de markt of ruilden het met producten die ze zelf niet
maakten. Doordat er meer handel was kwamen er munten en ontstond er een
geldeconomie. Met de arabische halsjuk konden de boeren sneller ploegen. Het oude
halsjuk sneed het dier de adem af. Door hoefijzers konden de dieren zwaardere ploegen
trekken.
Geldeconomie= een samenleving waarbij mensen elkaar met geld betalen.
Drieslagstelsel= methode van lanbouw waarbij het akkerland in drie stukken is
verdeeld: 1 deel wordt gebruikt voor zomergraan, 1 deel voor wintergraan en een deel
ligt braak. De delen wisselen elkaar elk jaar af.
Tussen 950 en 1300 was er meer voedsel nodig en ook meer grond daarom gaven de
heren de boeren toestemming om bossen, moerassen en heidevelden te ontginnen zo
werden de gronden geschikt voor landbouw.
Ontginnen= het voor landbouw bruikbaar maken van bossen en moerassen.
Het midden van Europa werd getroffen met de ziekte de Zwarte dood waardoor 1 3 de
van de bevolking stierf.
Zwarte dood= de pest: een zeer besmettelijke ziekte waarbij mensen zwarte bulten over
hun hele lichaam krijgen en binnen een paar dagen sterven.
Par 2
Bij kastelen, kloosters en kruispunten ontstonden er steden, omdat het er veilig was en
je gemakkelijk producten kon aanvoeren werden er markten gehouden. Er trokken
steeds meer mensen naar die plaatsen en zo waren er rond 1300 ong 1000 steden in
Europa. De vikingen stopten met plunderen en daarna werd het weer veiliger om verre
reizen te maken en nam de handel van grotere afstanden ook weer toe. Italianen
handelden met arabieren die zijde, katoen, suiker en specerijen uit AziË en Afrika
verkochten. De Europeanen verkochten vooral hout en wollen stoffen. Genua en VenetiË
werden de belangrijktste handelssteden in zuid-europa.
Handelssteden= een stad waarin handel het voornaamste middel van bestaan is.
In Noord-Europa groeide de handel in: graan, ijzer, vis, wol en linnen. De handelssteden
gingen samenwerken om de handel uit te breiden en hun kooplieden te beschermen
tegen concurrenten. Dit verbond heette de hanze. De stad Brugge werd een belangrijke
havenstad. Hier ontmoetten de hanzekooplieden de kooplieden uit landen rond de
middellandse zee.
Hanze= vereniging van samenwerkende Noordwest-Europese handelssteden die in de
14de en 15de eeuw op haar machtigst was.