Samenvatting HB semester 2
Inhoud
Voeding en brandstoffen (blz. 74-82) ..................................................................................................... 2
Anaerobe energie (blz. 81-85) ................................................................................................................. 4
Aerobe energie (blz. 85-92) ..................................................................................................................... 5
Energieproductie, kinderen en volwassenen (blz. 473-477) ................................................................... 7
Samenhang energiesystemen (blz. 92-95, 152-165) ............................................................................... 9
Hart en bloedsomloop (blz. 178-184) ................................................................................................... 11
Werking van het hart (blz. 185-199) ..................................................................................................... 14
Hart en inspanning, kinderen en volwassenen (blz. 222-237, 470-473) ............................................... 18
Longventilatie en gaswisseling (blz. 202-211) ....................................................................................... 21
Ademhaling, kinderen en volwassen (blz. 211-219, 238-246) .............................................................. 24
1
,Voeding en brandstoffen (blz. 74-82)
Tijdens inspanning gebruiken we koolhydraten en
vetten voor metabolisme. De intensiteit bepaald het
brandstofgebruik.
- Vetten doen er lang over om energie te
geven.
- Je gebruikt allen Koolhydraten als je intensief
beweegt.
Energieproductie:
Dit is een aerobe productie en is dus met zuurstof.
Anaerobe productie gebeurt niet met vetten, want de productie met
zuurstof is niet snel genoeg. Vetten doen er lang over om energie te
leveren.
Koolhydraten:
Primaire brandstof voor spieren en zenuwcellen met een zeer beperkte voorraad.
- Enkelvoudige koolhydraten: glucose → direct te gebruiken.
- Meervoudige koolhydraten: zetmeel en glycogeen → eerst afbreken.
- Glycogeen is opgeslagen in de spieren en de lever.
• Bevat 4,1 Kcal energie per gram.
- Koolhydraten verplaatsen als glucose door het bloed.
Vetten:
Energierijke tri-glyceriden worden afgebroken om er energie uit vrij te maken. Het wordt afgebroken
als tricerol en FFA’s (vrije vetzuren).
- Bevat 9,4 Kcal energie per gram.
- Wordt aeroob afgebroken.
- Vetten zijn langzamer als koolhydraten en er is meer zuurstof voor nodig bij
de afbraak van vetten.
- Vetten zijn geschikt voor lange, matige inspanning door veel opslag.
Eiwitten:
Eiwit is een bouwstof.
- Indien nodig dienen aminozuren en eiwitten als
brandstof.
- Eiwit wordt afgebroken tot aminozuren.
- De omzet naar glucose heet: glycogenese.
- De omzet naar vet heet: lipogenese → onbeperkte
opslag.
- Eiwitten worden opgeslagen als lichaamseiwitten of
als voorraad aminozuren.
2
, Energie:
Je meet energie in:
- Kilojoule, KJ
- Kilocalorie, kCal
- 1 kCal = 4,2 KJ
ATP= adenosine-tri-fosfaat:
ATP is de energiebron voor alle lichaamsfuncties
- Dit iseen opslag voor energie, alle energie komt van ATP.
- Adenosine- tri- fosfaat: adenosine + P + P + P
- ATP wordt continu gerecycled.
- ADP: adenosine-di-fosfaat: adenosine + P + P
ATP- resynthese:
De vrije voorraad ATP is hel beperkt. Dit is ongeveer vooe 2 seconden inspanning. Hiervoor wordt
ATP continu gerecycled:
- Voor recyclen zijn brandstoffen nodig. Met behulp van enzymen gaat dit sneller. ATP wordt
gerecycled door 3 energie systemen:
• Melkzuur/ lactaat systeem: werkt op koolhydraten (anaeroob)
• Creatine fosfaat systeem: werkt op creatine (anaeroob)
• Zuurstof systeem: werkt op koolhydraten en vet (aeroob)
Enzymen:
Een enzym kan je herkennen aan de toevoeging -ase
- Een enzym help dat een reactie kan plaatsvinden.
- Het is een hulpstof voor afbraak (katabolisme).
- Bij katabolisme komen brandstoffen of ATP vrij.
- Enzymen bepalen vaak de maximale snelheid van een proces.
- Het helpt bijvoorbeeld ATP af te breken naar ADP, dus komt er P (dus
energie) vrij.
3
Inhoud
Voeding en brandstoffen (blz. 74-82) ..................................................................................................... 2
Anaerobe energie (blz. 81-85) ................................................................................................................. 4
Aerobe energie (blz. 85-92) ..................................................................................................................... 5
Energieproductie, kinderen en volwassenen (blz. 473-477) ................................................................... 7
Samenhang energiesystemen (blz. 92-95, 152-165) ............................................................................... 9
Hart en bloedsomloop (blz. 178-184) ................................................................................................... 11
Werking van het hart (blz. 185-199) ..................................................................................................... 14
Hart en inspanning, kinderen en volwassenen (blz. 222-237, 470-473) ............................................... 18
Longventilatie en gaswisseling (blz. 202-211) ....................................................................................... 21
Ademhaling, kinderen en volwassen (blz. 211-219, 238-246) .............................................................. 24
1
,Voeding en brandstoffen (blz. 74-82)
Tijdens inspanning gebruiken we koolhydraten en
vetten voor metabolisme. De intensiteit bepaald het
brandstofgebruik.
- Vetten doen er lang over om energie te
geven.
- Je gebruikt allen Koolhydraten als je intensief
beweegt.
Energieproductie:
Dit is een aerobe productie en is dus met zuurstof.
Anaerobe productie gebeurt niet met vetten, want de productie met
zuurstof is niet snel genoeg. Vetten doen er lang over om energie te
leveren.
Koolhydraten:
Primaire brandstof voor spieren en zenuwcellen met een zeer beperkte voorraad.
- Enkelvoudige koolhydraten: glucose → direct te gebruiken.
- Meervoudige koolhydraten: zetmeel en glycogeen → eerst afbreken.
- Glycogeen is opgeslagen in de spieren en de lever.
• Bevat 4,1 Kcal energie per gram.
- Koolhydraten verplaatsen als glucose door het bloed.
Vetten:
Energierijke tri-glyceriden worden afgebroken om er energie uit vrij te maken. Het wordt afgebroken
als tricerol en FFA’s (vrije vetzuren).
- Bevat 9,4 Kcal energie per gram.
- Wordt aeroob afgebroken.
- Vetten zijn langzamer als koolhydraten en er is meer zuurstof voor nodig bij
de afbraak van vetten.
- Vetten zijn geschikt voor lange, matige inspanning door veel opslag.
Eiwitten:
Eiwit is een bouwstof.
- Indien nodig dienen aminozuren en eiwitten als
brandstof.
- Eiwit wordt afgebroken tot aminozuren.
- De omzet naar glucose heet: glycogenese.
- De omzet naar vet heet: lipogenese → onbeperkte
opslag.
- Eiwitten worden opgeslagen als lichaamseiwitten of
als voorraad aminozuren.
2
, Energie:
Je meet energie in:
- Kilojoule, KJ
- Kilocalorie, kCal
- 1 kCal = 4,2 KJ
ATP= adenosine-tri-fosfaat:
ATP is de energiebron voor alle lichaamsfuncties
- Dit iseen opslag voor energie, alle energie komt van ATP.
- Adenosine- tri- fosfaat: adenosine + P + P + P
- ATP wordt continu gerecycled.
- ADP: adenosine-di-fosfaat: adenosine + P + P
ATP- resynthese:
De vrije voorraad ATP is hel beperkt. Dit is ongeveer vooe 2 seconden inspanning. Hiervoor wordt
ATP continu gerecycled:
- Voor recyclen zijn brandstoffen nodig. Met behulp van enzymen gaat dit sneller. ATP wordt
gerecycled door 3 energie systemen:
• Melkzuur/ lactaat systeem: werkt op koolhydraten (anaeroob)
• Creatine fosfaat systeem: werkt op creatine (anaeroob)
• Zuurstof systeem: werkt op koolhydraten en vet (aeroob)
Enzymen:
Een enzym kan je herkennen aan de toevoeging -ase
- Een enzym help dat een reactie kan plaatsvinden.
- Het is een hulpstof voor afbraak (katabolisme).
- Bij katabolisme komen brandstoffen of ATP vrij.
- Enzymen bepalen vaak de maximale snelheid van een proces.
- Het helpt bijvoorbeeld ATP af te breken naar ADP, dus komt er P (dus
energie) vrij.
3