FONE-03 hoorcollege
Fonetiek→ : studie van de klanken van menselijke spraak op CONCREET niveau
Allofoon = articulatorische variant van het foneem
Spraakketen
• spreker en hoorder
• spraakgeluid → kleine, maar zeer snelle op elkaar volgende verstoringen
van luchtdruk
• keten van deelprocessen
• productie → maken, en perceptie → waarnemen
• storingen mogelijk (afasie, gehoor bv.)
Fonetiek
• spraakgeluid centraal
• auditieve fonetiek
• akoestische fonetiek
• articulatorische fonetiek
Spraakorgaan
• subglottale systeem → bestaat uit de longen en het onderste deel van de
luchtpijp (tot aan het strottenhoofd). Dit systeem wordt vooral gebruikt om
de luchtstroom naar binnen en naar buiten te laten stromen.
• glottale systeem → wordt gevormd door het strottenhoofd en de
stembanden die daarin zitten.
• supraglottale systeem → bestaat uit alle organen die boven het
strottenhoofd zitten en die bij de spraak gebruikt worden: het bovenste
deel van de luchtpijp, de mondholte met de organen die daarin zitten en
de neusholte.
,
, FONE-04 hoorcollege
Medeklinkers
o Articulatiewijze
Plosief → plofklanken, occlusieven
Nasaal → neusklanken
Fricatief → wrijfklanken
Liquidae → vloeiklanken
Halfklinker → w, j
o Articulatieplaats
Bilabiaal → met beide lippen
Labiodentaal → met lip en tanden
Alveolair → achter de tanden
Postalveolair → iets verder naar achteren (sj)
Palataal → harde gehemelte
Velair → zachte gehemelte
Uvelair → bij de huig
o Stemhebbend / stemloos
Articulatieplaats
Klinkers
• Hoogte van de tong
o Hoog, midden, laag
• Plaats van tongwelving
o Voor, centraal, achter
• Ronding van lippen
o Gerond, ongerond
Diftongen (tweeklanken)
• ij; ei
• au; ou
Fonetiek→ : studie van de klanken van menselijke spraak op CONCREET niveau
Allofoon = articulatorische variant van het foneem
Spraakketen
• spreker en hoorder
• spraakgeluid → kleine, maar zeer snelle op elkaar volgende verstoringen
van luchtdruk
• keten van deelprocessen
• productie → maken, en perceptie → waarnemen
• storingen mogelijk (afasie, gehoor bv.)
Fonetiek
• spraakgeluid centraal
• auditieve fonetiek
• akoestische fonetiek
• articulatorische fonetiek
Spraakorgaan
• subglottale systeem → bestaat uit de longen en het onderste deel van de
luchtpijp (tot aan het strottenhoofd). Dit systeem wordt vooral gebruikt om
de luchtstroom naar binnen en naar buiten te laten stromen.
• glottale systeem → wordt gevormd door het strottenhoofd en de
stembanden die daarin zitten.
• supraglottale systeem → bestaat uit alle organen die boven het
strottenhoofd zitten en die bij de spraak gebruikt worden: het bovenste
deel van de luchtpijp, de mondholte met de organen die daarin zitten en
de neusholte.
,
, FONE-04 hoorcollege
Medeklinkers
o Articulatiewijze
Plosief → plofklanken, occlusieven
Nasaal → neusklanken
Fricatief → wrijfklanken
Liquidae → vloeiklanken
Halfklinker → w, j
o Articulatieplaats
Bilabiaal → met beide lippen
Labiodentaal → met lip en tanden
Alveolair → achter de tanden
Postalveolair → iets verder naar achteren (sj)
Palataal → harde gehemelte
Velair → zachte gehemelte
Uvelair → bij de huig
o Stemhebbend / stemloos
Articulatieplaats
Klinkers
• Hoogte van de tong
o Hoog, midden, laag
• Plaats van tongwelving
o Voor, centraal, achter
• Ronding van lippen
o Gerond, ongerond
Diftongen (tweeklanken)
• ij; ei
• au; ou