Tijmstra & Boeije
Hoofdstuk 1.
Wetenschappelijk paradigma – Wetenschappers hebben een gedeelde opvatting.
Ontologie – Wat? (groepen of individuen?)
Epistemologie – Hoe? Kennisleer. Hoe vergaar je kennis?
Empirisch-analytische benadering - herhaalbaarheid & controleerbaarheid
Positivisme – Geen waarden, alleen feiten. Het empirisme sluit hierop aan, want de kennis
moet controleerbaar zijn. Controleerbare feiten.
Analytisch – Waarnemingen beschreven in logisch opgebouwde, samenhangende
uitspraken.
Empirisch versus Empirisch-analytisch:
- Empirische uitspraken zijn waarneembaar
- Empirisch-analytische uitspraken bevatten wetten uit een algemene uitspraak kunnen
specifieke gevallen voorspeld worden.
Benaderingen/Paradigma’s:
Empirisch-analytische benadering
- herhaalbaarheid en controleerbaarheid
- reductie (alleen meetbare variabelen – leeftijd, afstand, geslacht)
- kwantitatieve data (in statistieken uitgedrukt)
- waardevrij
- positivisme (geen waarden, alleen feiten)
- nomothetische kennis (te veralgemeniseren)
- Bijvoorbeeld: experimenten en enquêtes.
Interpretatieve benadering
- begrijpen (wat beweegt mensen? Van binnenuit beredeneren. Onderzoekers doen mee in
het onderzoek)
- holistisch (kijken naar de hele context)
- waardeverheldering (wel waarden)
- kwalitatief onderzoek
- Bijvoorbeeld: dataverzameling en analyse.
Empirisch-analytisch versus Interpretatief:
1. Soort kennis
- Empirisch-analytisch: nomothetisch (kennis waar wetten in te herkennen zijn. Is te
veralgemeniseren)
- Interpretatief: idiografisch (kennis die het unieke beschrijft)
2. Referentiekader
- Empirisch-analytisch: reductie (cijfers&variabelen)
- Interpretatief: holistisch (gehele context)
3. Waarden
- Empirisch-analytisch: geen waarden, enkel feiten (positivisme)
- Interpretatief: voorstander waardeverheldering.
, Kritisch emancipatoire benadering
- gericht op verbetering
- waardegebonden (sterk)
- maatschappelijke betrokkenheid (Marxisme)
- maatschappij- en wetenschapskritisch (vooral empirisch-analystisch)
- bijvoorbeeld: actieonderzoek. Onderzoekers participeren (b.v. peer-research).
- wederkerige adequaatheid: voortdurende reflectie van beide partijen onderling
Mixed method – Combineren van paradigma’s.
Hoofdstuk 2.
Fundamenteel onderzoek – doel is kennis verzamelen.
Praktijkgericht/Toegepast (wetenschappelijk) onderzoek – Gericht op specifieke
praktijkproblemen. Meestal beschrijvend of evaluerend. Voldoet niet aan normen
methodologie. Volgt regulatieve cyclus (gericht op besluitvorming).
Fundamenteel versus praktijkgericht: praktijkgericht heeft een direct (positief) gevolg.
Empirische cyclus
(zie tekening)
Eerste fase: observatie, inductie op zoek naar theorie
Tweede fase: deductie, toetsing, evaluatie theorie beoordelen (exploratieve hypothese)
Observatie: verzamelen bestaande kennis op het onderzoeksgebied.
- Explorerend: veel kennis ontbreekt en een complete theorie mist.
- Toetsend: bestaande kennis en theorie toetsen
Inductie: formuleren van algemene uitspraak (theorie) op basis van concrete observaties
Deductie: algemene uitspraak (theorie) toepassen op specifieke situatie.
Hypothesen: relevante criteria om een theorie te kunnen toetsen
Operationaliseren: definiëren van het concept in meetinstrumenten
Toetsing: na analyseren van empirische data de uitkomsten met de hypothese vergelijken.
Verifiëren of Falsifiëren (Popper)
Evaluatie: is het kennisprobleem opgelost?
Diagnostisch onderzoek – probleemsituaties
Ex ante evaluatie – plannen geëvalueerd voor de toepassing
Product/uitkomstevaluatie – blijkt ingreep praktisch effectief?
Hoofdstuk 3.
Billijkheidstheorie – ?
Deductief-nomologisch – a.d.h.v. algemene uitspraken (wetten) kunnen specifieke uitspraken
of hypothesen afgeleid worden/ Afleiden van hypothesen die empirisch getoetst kunnen
worden. Ook wel bekend als Hempel-Oppenheim Schema.
Voorwaarden aan deductief-nomologisch model:
- alle termen moeten duidelijke definitie hebben
- uitspraken geordend van algemeen naar specifiek
- uitspraken zijn logisch met elkaar verbonden
, - specifieke uitspraken moeten getest kunnen worden door waarnemingen
Syllogisme – een logische redenatie van waaruit twee uitspraken en een conclusie getrokken
kunnen worden.
Uitspraken binnen een model van de sociale wetenschappen zijn probalistisch
(waarschijnlijk), niet deterministisch (allesbepalend).
Abstracte uitspraken – algemeen
Hypothesen – precieze uitspraken
Hoofdstuk 4.
Eisen aan wetenschappelijke uitspraken/hypotheses:
Toetsbaarheid
- Aan de hand van falsificatie of verificatie.
- Verificatie is een voorbeeld van inductie..
- Inductieprobleem: onmogelijkheid om a.d.h.v. specifieke uitspraken, algemene uitspraken te
verifiëren.
- Onderdeterminatie: niet mogelijk om te bepalen welke uitspraak fout is.
- Normatieve uitspraak: waardeoordeel of emoties niet toetsbaar.
Maximale informativiteit (Popper)
- Een goede hypothese is maximaal informatief. Wordt bepaald door:
- Domein: populatie waarover je uitspraak doet
- Specifiteit: welke kenmerken, wat wordt er over de populatie gezegd?
- Voorbeeld: Veel informatie omvangrijk domein + erg specifiek.
Weinig informatie klein domein + niet specifiek.
- Hoe informatiever, hoe toetsbaarder! Afbakenen domein en specifiteit !
Repliceerbaar
- Kennis moet openbaar zijn en artikelen moet opgevraagd kunnen worden.
- Expliciete uitspraken bevatten; genomen stappen, beslissingen zo nauwkeurig mogelijk
opschrijven.
- ! Aan de hand van openbaarheid en expliciteit kan een onderzoek nagebootst worden !
Intersubjectiviteit – wetenschappers (met verschillende normen en waarden) corrigeren
elkaar.
Hoofdstuk 1.
Wetenschappelijk paradigma – Wetenschappers hebben een gedeelde opvatting.
Ontologie – Wat? (groepen of individuen?)
Epistemologie – Hoe? Kennisleer. Hoe vergaar je kennis?
Empirisch-analytische benadering - herhaalbaarheid & controleerbaarheid
Positivisme – Geen waarden, alleen feiten. Het empirisme sluit hierop aan, want de kennis
moet controleerbaar zijn. Controleerbare feiten.
Analytisch – Waarnemingen beschreven in logisch opgebouwde, samenhangende
uitspraken.
Empirisch versus Empirisch-analytisch:
- Empirische uitspraken zijn waarneembaar
- Empirisch-analytische uitspraken bevatten wetten uit een algemene uitspraak kunnen
specifieke gevallen voorspeld worden.
Benaderingen/Paradigma’s:
Empirisch-analytische benadering
- herhaalbaarheid en controleerbaarheid
- reductie (alleen meetbare variabelen – leeftijd, afstand, geslacht)
- kwantitatieve data (in statistieken uitgedrukt)
- waardevrij
- positivisme (geen waarden, alleen feiten)
- nomothetische kennis (te veralgemeniseren)
- Bijvoorbeeld: experimenten en enquêtes.
Interpretatieve benadering
- begrijpen (wat beweegt mensen? Van binnenuit beredeneren. Onderzoekers doen mee in
het onderzoek)
- holistisch (kijken naar de hele context)
- waardeverheldering (wel waarden)
- kwalitatief onderzoek
- Bijvoorbeeld: dataverzameling en analyse.
Empirisch-analytisch versus Interpretatief:
1. Soort kennis
- Empirisch-analytisch: nomothetisch (kennis waar wetten in te herkennen zijn. Is te
veralgemeniseren)
- Interpretatief: idiografisch (kennis die het unieke beschrijft)
2. Referentiekader
- Empirisch-analytisch: reductie (cijfers&variabelen)
- Interpretatief: holistisch (gehele context)
3. Waarden
- Empirisch-analytisch: geen waarden, enkel feiten (positivisme)
- Interpretatief: voorstander waardeverheldering.
, Kritisch emancipatoire benadering
- gericht op verbetering
- waardegebonden (sterk)
- maatschappelijke betrokkenheid (Marxisme)
- maatschappij- en wetenschapskritisch (vooral empirisch-analystisch)
- bijvoorbeeld: actieonderzoek. Onderzoekers participeren (b.v. peer-research).
- wederkerige adequaatheid: voortdurende reflectie van beide partijen onderling
Mixed method – Combineren van paradigma’s.
Hoofdstuk 2.
Fundamenteel onderzoek – doel is kennis verzamelen.
Praktijkgericht/Toegepast (wetenschappelijk) onderzoek – Gericht op specifieke
praktijkproblemen. Meestal beschrijvend of evaluerend. Voldoet niet aan normen
methodologie. Volgt regulatieve cyclus (gericht op besluitvorming).
Fundamenteel versus praktijkgericht: praktijkgericht heeft een direct (positief) gevolg.
Empirische cyclus
(zie tekening)
Eerste fase: observatie, inductie op zoek naar theorie
Tweede fase: deductie, toetsing, evaluatie theorie beoordelen (exploratieve hypothese)
Observatie: verzamelen bestaande kennis op het onderzoeksgebied.
- Explorerend: veel kennis ontbreekt en een complete theorie mist.
- Toetsend: bestaande kennis en theorie toetsen
Inductie: formuleren van algemene uitspraak (theorie) op basis van concrete observaties
Deductie: algemene uitspraak (theorie) toepassen op specifieke situatie.
Hypothesen: relevante criteria om een theorie te kunnen toetsen
Operationaliseren: definiëren van het concept in meetinstrumenten
Toetsing: na analyseren van empirische data de uitkomsten met de hypothese vergelijken.
Verifiëren of Falsifiëren (Popper)
Evaluatie: is het kennisprobleem opgelost?
Diagnostisch onderzoek – probleemsituaties
Ex ante evaluatie – plannen geëvalueerd voor de toepassing
Product/uitkomstevaluatie – blijkt ingreep praktisch effectief?
Hoofdstuk 3.
Billijkheidstheorie – ?
Deductief-nomologisch – a.d.h.v. algemene uitspraken (wetten) kunnen specifieke uitspraken
of hypothesen afgeleid worden/ Afleiden van hypothesen die empirisch getoetst kunnen
worden. Ook wel bekend als Hempel-Oppenheim Schema.
Voorwaarden aan deductief-nomologisch model:
- alle termen moeten duidelijke definitie hebben
- uitspraken geordend van algemeen naar specifiek
- uitspraken zijn logisch met elkaar verbonden
, - specifieke uitspraken moeten getest kunnen worden door waarnemingen
Syllogisme – een logische redenatie van waaruit twee uitspraken en een conclusie getrokken
kunnen worden.
Uitspraken binnen een model van de sociale wetenschappen zijn probalistisch
(waarschijnlijk), niet deterministisch (allesbepalend).
Abstracte uitspraken – algemeen
Hypothesen – precieze uitspraken
Hoofdstuk 4.
Eisen aan wetenschappelijke uitspraken/hypotheses:
Toetsbaarheid
- Aan de hand van falsificatie of verificatie.
- Verificatie is een voorbeeld van inductie..
- Inductieprobleem: onmogelijkheid om a.d.h.v. specifieke uitspraken, algemene uitspraken te
verifiëren.
- Onderdeterminatie: niet mogelijk om te bepalen welke uitspraak fout is.
- Normatieve uitspraak: waardeoordeel of emoties niet toetsbaar.
Maximale informativiteit (Popper)
- Een goede hypothese is maximaal informatief. Wordt bepaald door:
- Domein: populatie waarover je uitspraak doet
- Specifiteit: welke kenmerken, wat wordt er over de populatie gezegd?
- Voorbeeld: Veel informatie omvangrijk domein + erg specifiek.
Weinig informatie klein domein + niet specifiek.
- Hoe informatiever, hoe toetsbaarder! Afbakenen domein en specifiteit !
Repliceerbaar
- Kennis moet openbaar zijn en artikelen moet opgevraagd kunnen worden.
- Expliciete uitspraken bevatten; genomen stappen, beslissingen zo nauwkeurig mogelijk
opschrijven.
- ! Aan de hand van openbaarheid en expliciteit kan een onderzoek nagebootst worden !
Intersubjectiviteit – wetenschappers (met verschillende normen en waarden) corrigeren
elkaar.