Samenvatting BPR BOEK
De drie voornaamste beginselen binnen het procesrecht zijn
- Hoor & wederhoor
- Redelijke termijn
- Fair trial/ goede procesorde
Doel procesrecht: een kwalitatief goede beslissing
Inleiding
Kenmerken voor het bpr is een zekere dwangmatigheid, de een kan de ander dwingen tot een
procedure en het ten uitvoer laten leggen van een uitspraak.
Rechtsvordering: materiele aanspraak van de schuldeiser
Vorderingsrecht: het recht om aanspraak te maken op de rechtsvordering
Subjectief recht: de rechtsvordering middels de processuele handeling bewerkstelligen
Dagvaardingsprocedure: gericht aan wederpartij, contentieuze jurisdictie (= ziet toe op geschillen tussen
partijen)
Verzoekschriftprocedure: gericht aan rechter, voluntaire jurisdictie (= als er geen geschil is),
contentieuze jurisdictie is hier ook denkbaar, als er wel een geschil is.
Rechtsverschaffing
- Declaratoir (= vaststellend)
- Constitutief (= totstandbrenging/ wijzigen/ eindigen)
- Condemnatoir (= veroordelend), veroordelen tot bv betalen. krijgt na uitspraak direct
werking
Een adequate rechtspleging is vereist, dit lijkt bereikbaar door optimale verwezenlijking van desiderata
als kwaliteit (zorgvuldigheid), kwantiteit (voldoende aanbod van rechtspraak/rechtshulp), eenvoud,
snelheid en prijsvriendelijkheid van de rechtspleging.
Van belang: 6 EVRM en 14 IVBP
HR Volledigheids- en waarheidsplicht
De waarheidsplicht van art. 21 Rv. geldt voor alle in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
geregelde procedures. Of partijen aan deze verplichting hebben voldaan is een feitelijk oordeel. Rechter
mag ambtshalve oordelen dat (een van) beide partijen (heeft) hebben gehandeld in strijd met art. 21 Rv.
en daaraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, gevolgen verbinden die in
overeenstemming zijn met de aard van en de ernst van deze schending.
HR feitelijke grondslag
Behoudens bijzondere gevallen is naast gesloten stelsel van de Rw. geen plaats voor algemene vordering
uit ongerechtvaardigde verrijking Aanspraak op herstel vloeit reeds voort uit redelijkheid en billijkheid,
maar kan ook worden toegewezen bij wege van schadevergoeding “in natura” (art. 6:103 BW) op grond
van ongerechtvaardigde verrijking. Geen verboden aanvulling van rechtsgronden. Nodig maar ook
voldoende dat partij
,HR verstek en nietigheid
het dagvaarden op een verkeerd adres, waar de gedaagde pas na de verstekuitspraak achter komt (HR
13 juli 2007, NJ 2007, 409). Dit zijn fouten die ertoe leiden dat de cassatiedagvaarding de wederpartij
niet binnen de beroepstermijn heeft bereikt. Daaraan kleven grotere bezwaren vanuit het oogpunt van
rechtszekerheid dan aan het corrigeren van een ontbrekende pagina van het middel. zodanige feitelijke
stellingen aan vordering ten grondslag legt dat deze toewijzing vordering kunnen rechtvaardigen op
door rechter bij te brengen rechtsgrond. Daarom herstelmogelijkheid. De verstekuitspraak wordt hier
nietig verklaard.
HR Recht op pleidooi
Recht op pleidooi; art. 134, 353 Rv. Partijen hebben in beginsel recht op pleidooi; weigering pleidooi
slechts in zeer uitzonderlijke gevallen; daartoe noodzakelijk dat sprake is van klemmende redenen of
strijd met goede procesorde; afwijzing moet deugdelijk gemotiveerd met uitdrukkelijke vermelding
redenen; rolreglement doet niet af aan in wet vastgelegde recht op pleidooi (vgl. HR 2 december 2011,
LJN BT7596). Eisen goede procesorde rechtvaardigen niet dat verzoek om pleidooi wordt afgewezen op
enkele grond dat reeds aktewisseling heeft plaatsgevonden nadat zaak naar rol is verwezen voor
partijberaad. Onder deze omstandigheden ook geen bijzondere motiveringseisen te stellen aan verzoek
om pleidooi
Hoofdbeginselen:
- Openbaarheid
- Lijdelijkheid van de rechter
- Horen van beide partijen, uitz: als een van de partijen hierdoor wezenlijk in haar belang wordt
geschaad/ afstand doen van recht.
- Onderzoek in 2 feitelijke instanties
- Toezicht op de rechtspraak d.m.v. cassatie
- Verplichte procesvertegenwoordiging en niet kosteloosheid vd rechtspraak (zodat men niet
onnodig gaat procederen)
= allemaal fair trial
Onpartijdigheid rechter:
- Objectief: onderzoek naar feiten en omstandigheden die grond geven te vrezen dat de rechter
partijdig is; Voldoende is de ‘schijn’ van partijdigheid voor wraking.
- Subjectief: onderzoek van persoonlijke mening van de rechter over de zaak. Tegendeel dient
bewezen te worden.
6 EVRM: Hoor & wederhoor, interne toegankelijkheid (niet te veel barrières om proces goed te laten
verlopen), algemeen zorgvuldigheidsbeginsel, onafhankelijkheid rechter.
Externe toegankelijkheid: bereikbaarheid van het civiele proces (wel/niet procesvertegenwoordiging en
gefinancierde rechtsbijstand), interne toegankelijkheid: moet een persoon niet onmogelijk worden
gemaakt door veel formalistische voetklemmen. Deformalisering -> de rechter biedt gelegenheid tot het
herstel van een vormfout.
, Openbaarheid:
Doel is publieke controle. Verder verschaffing informatie aan publiek & transparantie & vertrouwen in
rechtspraak vergroten. Ten slotte rechtseenheid en rechtsontwikkeling
Motivering:
Vertrouwen in rechtspraak en vermijden van schijn van partijdigheid/willekeur. Tevens rechtseenheid en
rechtsontwikkeling.
Partij-autonomie:
Lijdelijkheid van de rechter, partijen bepalen zelf waarover wordt geprocedeerd. Rechter bewaakt
voortgang en goede procesorde. De rechter mag, behoudens uitzonderingen, geen feitelijke gronden
aanvullen, geen bewijs opdragen van een feit dat een partij heeft gesteld zonder dat de ander partij dit
voldoende heeft betwist, bepaalde rechtsgronden niet aanvullen (vb waar partijen afstand van hebben
gedaan), niet meer toewijzen dan is geëist/ verzocht, in appel en cassatie slechts de bestreden
onderdelen onderzoeken.
Redelijkheid en billijkheid
minder ruim dan in privaatrecht
Grenzen aan de procesorde
ultimum remedium (laatste redmiddel)
voldoende concreet procesbelang (niet puur emotioneel)
misbruik procesbevoegdheid (een partij gebruikt proces met geen ander doel dan de wederpartij te
schaden)
gezag van gewijsde = zelfde werking in andere zaak (indien zelfde partijen. Voor gezag van gewijsde is
kracht van gewijsde nodig: indien er geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat.
- Positief gezag van gewijsde: een partij doet ter ondersteuning beroep op vonnis
- Negatief gezag van gewijsde: voorkomen dat rechter nog eens beslissing neemt over hetzelfde
geschil
Verjaring: 6 EVRM, niet oneindig toegang tot RB
Dagvaardingsprocedure
tot 25.000,- is kanton
De dagvaarding heet ook wel exploot (een officiële deurwaardersakte). Het uitbrengen van exploten
wordt ook wel aangeduid als betekenen.
Petitum = de eis zelf
Het herstelexploot is 120 Rv kan enkel worden gebruikt om vormfouten te herstellen (66 Rv), 65 Rv zijn
immers inhoudelijke fouten.
Contradictoire behandeling: behandeling op tegenspraak, er is een geschil tussen partijen.
Gedaagde kan;
- Erkennen (154 rv)
- Refereren (aan oordeel van de rechter)
De drie voornaamste beginselen binnen het procesrecht zijn
- Hoor & wederhoor
- Redelijke termijn
- Fair trial/ goede procesorde
Doel procesrecht: een kwalitatief goede beslissing
Inleiding
Kenmerken voor het bpr is een zekere dwangmatigheid, de een kan de ander dwingen tot een
procedure en het ten uitvoer laten leggen van een uitspraak.
Rechtsvordering: materiele aanspraak van de schuldeiser
Vorderingsrecht: het recht om aanspraak te maken op de rechtsvordering
Subjectief recht: de rechtsvordering middels de processuele handeling bewerkstelligen
Dagvaardingsprocedure: gericht aan wederpartij, contentieuze jurisdictie (= ziet toe op geschillen tussen
partijen)
Verzoekschriftprocedure: gericht aan rechter, voluntaire jurisdictie (= als er geen geschil is),
contentieuze jurisdictie is hier ook denkbaar, als er wel een geschil is.
Rechtsverschaffing
- Declaratoir (= vaststellend)
- Constitutief (= totstandbrenging/ wijzigen/ eindigen)
- Condemnatoir (= veroordelend), veroordelen tot bv betalen. krijgt na uitspraak direct
werking
Een adequate rechtspleging is vereist, dit lijkt bereikbaar door optimale verwezenlijking van desiderata
als kwaliteit (zorgvuldigheid), kwantiteit (voldoende aanbod van rechtspraak/rechtshulp), eenvoud,
snelheid en prijsvriendelijkheid van de rechtspleging.
Van belang: 6 EVRM en 14 IVBP
HR Volledigheids- en waarheidsplicht
De waarheidsplicht van art. 21 Rv. geldt voor alle in het wetboek van burgerlijke rechtsvordering
geregelde procedures. Of partijen aan deze verplichting hebben voldaan is een feitelijk oordeel. Rechter
mag ambtshalve oordelen dat (een van) beide partijen (heeft) hebben gehandeld in strijd met art. 21 Rv.
en daaraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, gevolgen verbinden die in
overeenstemming zijn met de aard van en de ernst van deze schending.
HR feitelijke grondslag
Behoudens bijzondere gevallen is naast gesloten stelsel van de Rw. geen plaats voor algemene vordering
uit ongerechtvaardigde verrijking Aanspraak op herstel vloeit reeds voort uit redelijkheid en billijkheid,
maar kan ook worden toegewezen bij wege van schadevergoeding “in natura” (art. 6:103 BW) op grond
van ongerechtvaardigde verrijking. Geen verboden aanvulling van rechtsgronden. Nodig maar ook
voldoende dat partij
,HR verstek en nietigheid
het dagvaarden op een verkeerd adres, waar de gedaagde pas na de verstekuitspraak achter komt (HR
13 juli 2007, NJ 2007, 409). Dit zijn fouten die ertoe leiden dat de cassatiedagvaarding de wederpartij
niet binnen de beroepstermijn heeft bereikt. Daaraan kleven grotere bezwaren vanuit het oogpunt van
rechtszekerheid dan aan het corrigeren van een ontbrekende pagina van het middel. zodanige feitelijke
stellingen aan vordering ten grondslag legt dat deze toewijzing vordering kunnen rechtvaardigen op
door rechter bij te brengen rechtsgrond. Daarom herstelmogelijkheid. De verstekuitspraak wordt hier
nietig verklaard.
HR Recht op pleidooi
Recht op pleidooi; art. 134, 353 Rv. Partijen hebben in beginsel recht op pleidooi; weigering pleidooi
slechts in zeer uitzonderlijke gevallen; daartoe noodzakelijk dat sprake is van klemmende redenen of
strijd met goede procesorde; afwijzing moet deugdelijk gemotiveerd met uitdrukkelijke vermelding
redenen; rolreglement doet niet af aan in wet vastgelegde recht op pleidooi (vgl. HR 2 december 2011,
LJN BT7596). Eisen goede procesorde rechtvaardigen niet dat verzoek om pleidooi wordt afgewezen op
enkele grond dat reeds aktewisseling heeft plaatsgevonden nadat zaak naar rol is verwezen voor
partijberaad. Onder deze omstandigheden ook geen bijzondere motiveringseisen te stellen aan verzoek
om pleidooi
Hoofdbeginselen:
- Openbaarheid
- Lijdelijkheid van de rechter
- Horen van beide partijen, uitz: als een van de partijen hierdoor wezenlijk in haar belang wordt
geschaad/ afstand doen van recht.
- Onderzoek in 2 feitelijke instanties
- Toezicht op de rechtspraak d.m.v. cassatie
- Verplichte procesvertegenwoordiging en niet kosteloosheid vd rechtspraak (zodat men niet
onnodig gaat procederen)
= allemaal fair trial
Onpartijdigheid rechter:
- Objectief: onderzoek naar feiten en omstandigheden die grond geven te vrezen dat de rechter
partijdig is; Voldoende is de ‘schijn’ van partijdigheid voor wraking.
- Subjectief: onderzoek van persoonlijke mening van de rechter over de zaak. Tegendeel dient
bewezen te worden.
6 EVRM: Hoor & wederhoor, interne toegankelijkheid (niet te veel barrières om proces goed te laten
verlopen), algemeen zorgvuldigheidsbeginsel, onafhankelijkheid rechter.
Externe toegankelijkheid: bereikbaarheid van het civiele proces (wel/niet procesvertegenwoordiging en
gefinancierde rechtsbijstand), interne toegankelijkheid: moet een persoon niet onmogelijk worden
gemaakt door veel formalistische voetklemmen. Deformalisering -> de rechter biedt gelegenheid tot het
herstel van een vormfout.
, Openbaarheid:
Doel is publieke controle. Verder verschaffing informatie aan publiek & transparantie & vertrouwen in
rechtspraak vergroten. Ten slotte rechtseenheid en rechtsontwikkeling
Motivering:
Vertrouwen in rechtspraak en vermijden van schijn van partijdigheid/willekeur. Tevens rechtseenheid en
rechtsontwikkeling.
Partij-autonomie:
Lijdelijkheid van de rechter, partijen bepalen zelf waarover wordt geprocedeerd. Rechter bewaakt
voortgang en goede procesorde. De rechter mag, behoudens uitzonderingen, geen feitelijke gronden
aanvullen, geen bewijs opdragen van een feit dat een partij heeft gesteld zonder dat de ander partij dit
voldoende heeft betwist, bepaalde rechtsgronden niet aanvullen (vb waar partijen afstand van hebben
gedaan), niet meer toewijzen dan is geëist/ verzocht, in appel en cassatie slechts de bestreden
onderdelen onderzoeken.
Redelijkheid en billijkheid
minder ruim dan in privaatrecht
Grenzen aan de procesorde
ultimum remedium (laatste redmiddel)
voldoende concreet procesbelang (niet puur emotioneel)
misbruik procesbevoegdheid (een partij gebruikt proces met geen ander doel dan de wederpartij te
schaden)
gezag van gewijsde = zelfde werking in andere zaak (indien zelfde partijen. Voor gezag van gewijsde is
kracht van gewijsde nodig: indien er geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat.
- Positief gezag van gewijsde: een partij doet ter ondersteuning beroep op vonnis
- Negatief gezag van gewijsde: voorkomen dat rechter nog eens beslissing neemt over hetzelfde
geschil
Verjaring: 6 EVRM, niet oneindig toegang tot RB
Dagvaardingsprocedure
tot 25.000,- is kanton
De dagvaarding heet ook wel exploot (een officiële deurwaardersakte). Het uitbrengen van exploten
wordt ook wel aangeduid als betekenen.
Petitum = de eis zelf
Het herstelexploot is 120 Rv kan enkel worden gebruikt om vormfouten te herstellen (66 Rv), 65 Rv zijn
immers inhoudelijke fouten.
Contradictoire behandeling: behandeling op tegenspraak, er is een geschil tussen partijen.
Gedaagde kan;
- Erkennen (154 rv)
- Refereren (aan oordeel van de rechter)