Beginnende geletterdheid: De groepen 1, 2 en 3.
Geletterdheid, onderwijs en ontwikkeling.
Geletterdheid = leren omgaan met geschreven taal.
Mondelinge taalverwerving en geletterdheid zijn ontwikkelingsprocessen.
Door de ontluikende geletterdheid hebben de kinderen al een stap richting/kennis gemaakt met
beginnende geletterdheid.
Kinderen ontdekken en ervaren dat geschreven taal een functie heeft en dat ze zelf ook een boodschap op
papier kunnen zetten (eigen bedachte spelling en conventioneel schrift).
Tijdens deze schrijfontwikkeling ontwikkelt het klankbewustzijn zich en krijgen kinderen in de gaten dat er
een relatie bestaat tussen gesproken en geschreven taal.
Ze worden zich steeds meer bewust dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters van het
alfabet de klanken weergeven.
Wanneer ze de overeenkomst zien tussen letters en klanken hebben ze een belangrijke stap gezet in de
ontwikkeling van geletterdheid.
Boekoriëntatie en verhaalbegrip.
Boekoriëntatie.
Boekoriëntatie en verhaalbegrip ontwikkelen zich binnen voorleessituaties.
Bij boekoriëntatie gaat over:
- Het gedrag
- De omgang met boeken
- Wat je met boeken kunt doen
- Wat je er aan kunt zien
- Hoe je ze leest.
Door voorlezen en vertellen raken kinderen vertrouwd met verhalen, boeken en de taal die in boeken
wordt gebruikt. Het is een sociale activiteit waarbij leerling en leraar voordurend op elkaar betrokken zijn.
Kinderen ontwikkelen ideeën over:
- Hoe je met een boek om kunt gaan
- Hoe je een pagina omslaat
- Hoe je leest (voor-achter, boven-beneden, links-rechts)
Kinderen ontdekken dat:
- Elk boek een schrijver, illustrator heeft en dit dezelfde persoon kunnen zijn.
- Elk boek een titel heeft, voorkant of rug van het boek ‘gelezen’ kan worden.
- Illustraties in het boek kunnen personen, objecten en gebeurtenissen voorstellen.
Het is belangrijk dat kinderen door voorlezen in de gaten krijgen dat de schrijver altijd een bedoeling
heeft. Dat je deze kunt raden en dat lezen een vorm van indirecte communicatie is.
,Variatie in organisatievorm van leessituaties, boektypen en in werkvoren bij introductie en verwerking v.d.
verhalen, kunnen ervoor zorgen dat leesactiviteiten motiverend en leerzaam zijn.
Een aantrekkelijk en gevarieerd boekenaanbod dat afgestemd is om hun interesses is belangrijk.
Verhaalbegrip.
Verhalen hebben een bepaalde structuur en opbouw.
Kinderen moeten leren om bepaalde verbanden in een verhaal te begrijpen.
Verhalen bestaan uit een situatieschets en een episode.
Situatieschets = info over de hoofdpersonen, plaats en tijd.
Episode = een aaneenschakeling van gebeurtenissen. (deze lopen meestal uit op een climax).
Een episode bestaat uit een begin, midden en een afloop.
Kinderen ontdekken dat er veel manieren zijn om met taal een ervaring door te geven of gevoelens
uitdrukken.
Ze ontdekken ook dat er verschillende soorten boeken zijn, die je om verschillende redenen kunt lezen.
- Belevingsgericht.
- Informatiegericht.
- Functiegericht.
Voorlezen is belangrijk, daardoor leren kinderen namelijk vele vaardigheden en inzichten.
Navertellen en naspelen.
Hierdoor kunnen kinderen actief een verhaalopbouw leren kennen.
Aanvankelijk heeft het kind nog de illustraties nodig.
Bij het navertellen gaat het er om of kinderen verbanden tussen zinnen weten te leggen. Kinderen moeten
samenhang in de tekst aan kunnen brengen, wat betreft betekenis en vorm.
Samenhang in betekenis = kinderen weten de belangrijkste onderdelen van een verhaal in de juiste
volgorde te verwoorden.
Samenhang in vorm = de vorm van de taal die de kinderen gebruiken. (verwijswoorden, voegwoorden
enz.)
Door gebruik te maken van materialen bij het navertellen of naspelen, kunnen kinderen hierin geholpen
worden.
Functies van geschreven taal en de relatie tussen geschreven en gesproken taal.
Functies van geschreven taal.
Kinderen komen hiermee al vroeg in aanraking, tv, boeken, kranten, borden enz.
Ze ervaren dat geschreven taal betekenis heeft.
Functies:
- Communicatie mogelijk maken met mensen die zich elders bevinden.
We maken kinderen vertrouwd met diverse functies, belangrijk is dat ze zoveel mogelijk zelf ontdekken en
leren ervaren.
- Ons geheugen uitbreiden. (we kunnen niet alles onthouden) We maken daarom gebruik van lijsten,
naslagwerken enz.
, Schrijfontwikkeling.
5 fasen v.d. schrijfontwikkeling van kinderen.
1. Tekenen.
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen schrijven of tekenen. Er is pas echt sprake van schrijven
wanneer de schrijfsels een symbolische representatie zijn voor een betekenis.
2. Krabbelen.
Woorden worden weergeven met krabbels, zonder herkenbare lettertekens. De kinderen weten dat
schrijven iets anders is dan tekenen.
3. Ketens letterachtige vormen of letters.
De kinderen hebben besef dat woorden worden weergeven door reeksen abstracte tekens en dat die
tekens in bepaalde volgordes staan.
De woorden die ze schrijven hebben betekenis voor de kinderen.
4. Eén of enkele letters voor het hele woord.
Kinderen hebben enige notatie van letterklanken. Soms één klank voor een woord schrijven. Ze volgen
nog geen vaste regels, wel van links naar rechts schrijven.
5. ‘Invented spelling’.
Kinderen begrijpen dat letters iets met klanken te maken hebben, maar ze gaan nog niet helemaal af op
fonetische kenmerken. Kinderen schrijven vaak alleen een klank voor een woord.
Ze gaan geleidelijk in de richting van de spellingconventies.
Geletterde omgeving.
Kinderen ontwikkelen zich sneller in een geletterde omgeving (pictogrammen, labels enz.)
Relatie tussen geschreven en gesproken taal.
Ze ontdekken dat er een relatie is en dat je spreektaal zichtbaar kunt maken (schrijven).
Volwassenen dragen bij door hun eigen omgang met geschreven taal aan kinderen te laten zien en door
kinderen te stimuleren die relatie te verkennen.
Leesontwikkeling.
Kinderen krijgen in de gaten dat degene die voorleest gebruikt maakt van tekst, kinderen gaan hun
aandacht hier dan ook op richten.
Ze kunnen na enige tijd, letters of woorden onderscheiden. Ze zetten een eerste stap richting het
ontcijferen van het schrift systeem.
Hiervoor zijn 3 fases.
Fase 1. Herkenning van ‘bekende woorden’.
Kinderen richten hun aandacht op een klein aantal woorden, vooral op woorden die betekenis hebben. Of
woorden uit het dagelijkse leven.
Fase 2. Woordbeelden vergelijken.
Ze gaan woorden met elkaar vergelijken, het inzicht breekt door dat woorden bestaan uit opeenvolging
van letters en dat elk woord een bepaalde volgorde hierin heeft.
Ze ontdekken dat hetzelfde letterteken in verschillende woordposities een ander woord is en alleen
verschil in de volgorde (poes-soep).
Fase 3. Nieuwe woorden lezen.
Ze ontsleutelen met behulp van een analyse en synthese de nieuwe woorden die ze tegen komen. Ze