Subcutaan: onder de huid, vetweefsel.
Intramusculair: in de spier.
o Dikte van de in te spuiten vloeistof, dikte van de huid en soort naald bepaald de
lengte en diameter van de naald.
o Injecteren is een voorbehouden handeling.
o Medicatie toedienen door met een holle metalen naald door de huid in de weefsels
in te brengen.
Methoden:
- Intracutane injectie.
- Subcutane injectie.
- Intramusculaire injectie.
- Intraveneuze injectie.
Subcutane injectie:
o Inspuiting in onderhuid bindweefsel/vet. Hier lopen geen bloedvaten.
o Maximaal zo’n 1,5 ml vloeistof.
o Wordt geleidelijk opgenomen.
o Weinig gevaar aanprikken grote vaten of zenuwtakken.
- Bij de juiste techniek ligt de naald los in het onderhuids bindweefsel en
kan het soepen heen en weer bewogen worden.
Geschikte plaatsen sc. plaatsen:
Boven/buitenkant bovenbeen.
Kenmerken subcutane naald:
o Dunne naald diameter 0,4-0,6 mm.
o Korte naald.
o Verschilt per individu en per techniek.
o Bij kant en klare injecties een vaste naald.
Kant en klare spuiten:
o Vaak bij vast voorgeschreven hoeveelheden (heparine)
o Voor gevulde spuiten.
o Vaak geleverd met een luchtbel, mag niet ontlucht worden.
o Zorg ervoor dat de luchtbel aan de kant van de zuiger bij inspuiting zit. De luchtbel
vult de overgebleven dode ruimte waardoor er geen medicijn achterblijft.
Intra musculair:
o Sneller gewenst effect, beter doorbloed.
o Grotere hoeveelheden.
o Ook irriterende stoffen mogelijk olieachtige medicatie.
o Een vloeistof die moeilijk subcutaan wordt opgenomen.
o BBB: benen, billen in buitenkant.