colloïd osmotische druk. Daardoor plas je veel, krijg je dorst.
Gewichtsverlies: glucose kan niet worden benut, maar gaat de lichaamseigen vetten en
eiwitten verliezen.
DM 1:
Snel ontdekt (vaak acuut via ketoacidose).
Veel dorst en veel plassen.
Afvallen zonder reden.
Algehele malaise.
Veel honger of juist niet.
Misselijkheid of braken.
DM 2:
Moeilijk te herkennen
Veel dorst en plassen.
Vaak moe.
Last van branderige ogen en dubbelzien.
Slecht genezende wonden.
Terugkerende ontstekingen zoals een UWI.
*Beven en duizeligheid ontstaat door de aanmaak van adrenaline.
Hypoglykemie is gevaarlijker dan een hyper.
Hyperglykemie: hyperventilatie, diep en snel, Kussmaul ademhaling.
*Hyperventilatie is het uitstoten van CO2, zuur uitblazen.
Wat observeer je bij een hypoglycemisch coma:
Bewusteloos, hoge bloedsuiker, snelle en diepe ademhaling. Adem ruikt naar aceton en
zoete appeltjes. Mogelijk shock doordat alles is uitgeplast.
Onderzoeken DM:
Bloedsuikers prikken, urine op glucose, eiwitten en ketonen testen, hb1ac, nierfunctie,
elektrolyten en bloedgassen.
Hb1ac: bepaald de glucosewaarde over een periode van 2-3 maanden omdat suikers zich
aan HB hecht. Rode bloedsuikers zijn dus min of meer versuikerd. Normaal is 4-6%.
Medicatie bij DM type 2:
Metformine (hydrochloride):
Verbeterd de gevoeligheid van de lever en spieren voor insuline.
Vermindering van glucoseproductie in de lever.
Remt de eetlust.
Tolbutamide en glicazide:
Stimuleren de alvleesklier tot meer afgifte van insuline.