NEDERLANDS
Inhoud
Nederlands...............................................................................................................................................................1
1: Getal en geslacht..................................................................................................................................................1
welke?.......................................................................................................................................................................1
Congruentiefouten...................................................................................................................................................2
fouten in vaste verbindingen...................................................................................................................................2
verkeerde keuzes......................................................................................................................................................2
dubbelkop.................................................................................................................................................................3
symmetriefouten......................................................................................................................................................4
woord op de verkeerde plaats.................................................................................................................................4
verkeerde samentrekking.........................................................................................................................................4
foutieve inversie.......................................................................................................................................................4
Foute beknopte bijzin...............................................................................................................................................4
onvolledige zin..........................................................................................................................................................4
Barbarismen.............................................................................................................................................................4
1: GETAL EN GESLACHT
De media brengen het nieuws steeds sneller, zij letten niet meer op de nuance.
Data is enkelvoud!
“Het’’ is onzijdig.
Niet echt bestaande dingen noem je Haar. Methode, wetenschap
Als iets cobcreet is zoals een stoel is het mannelijk
WELKE?
1: HEN OF HUN
Hun = mv zonder voorzetsel: We hebben het hun verteld
Hen = na een voorzetsel en als lv
AAN WIE EN WAARAAN
Aan wie: Personen
Waaraan: Dingen
WAT OF DAT
Dat= znw Het toestel dat wij willen kopen.
, Wat= als er Alles/niks/overtreffende trap of een betreffende zin voorstaat.
CONGRUENTIEFOUTEN
Enkelvoud of meervoud
Je kijkt naar wat het kernwoord in het onderwerp is.
VB: Het percentage goede antwoorden: Het precentage of het antwoorden? -> het percentage dus enkelvoud.
FOUTEN IN VASTE VERBINDINGEN
ZNW EN WW
Een lekker avondje tv zien (kijken)
WW EN VZ
Hij ergert zich verschrikkelijk over mij (het is aan)
VERKEERDE KEUZES
MITS OF TENZIJ
Mits= indien
Tenzij= behalve als
DAN OF ALS
Dan= na overtreffende trap
Als= niet overtreffende trap= even groot als ik
TWIJFELEN OF WEIFELEN
Twijfelen= iets niet zeker weten
Weifelen= niet zeker weten om iets te doen
NEIGEN/GENEIGD OF NIJGEN/GENEGEN
Neigen= van nature uit lust (Ik ben geneigd hem te geloven)
Nijgen= bereid zijn om iets te doen (Ik ben allesbehalve genegen dat te doen!)
SCHIJNBAAR OF BLIJKBAAR
Schijnbaar= zoals het lijkt (schijnbaar heeft hij gelijk, maar ik denk nogsteeds van niet)
Blijkbaar= zoals het is (Blijkbaar is het waar)’
TE DANKEN AAN/ TE WIJTEN AAN
Te danken aan= Positief
Te weiten aan= negatief
FUNGEREN OF FUNCTIONEREN
Fungeren= dienen, optreden als (De leraar fungeert als scheidsrechter bij de wedstrijd)
Inhoud
Nederlands...............................................................................................................................................................1
1: Getal en geslacht..................................................................................................................................................1
welke?.......................................................................................................................................................................1
Congruentiefouten...................................................................................................................................................2
fouten in vaste verbindingen...................................................................................................................................2
verkeerde keuzes......................................................................................................................................................2
dubbelkop.................................................................................................................................................................3
symmetriefouten......................................................................................................................................................4
woord op de verkeerde plaats.................................................................................................................................4
verkeerde samentrekking.........................................................................................................................................4
foutieve inversie.......................................................................................................................................................4
Foute beknopte bijzin...............................................................................................................................................4
onvolledige zin..........................................................................................................................................................4
Barbarismen.............................................................................................................................................................4
1: GETAL EN GESLACHT
De media brengen het nieuws steeds sneller, zij letten niet meer op de nuance.
Data is enkelvoud!
“Het’’ is onzijdig.
Niet echt bestaande dingen noem je Haar. Methode, wetenschap
Als iets cobcreet is zoals een stoel is het mannelijk
WELKE?
1: HEN OF HUN
Hun = mv zonder voorzetsel: We hebben het hun verteld
Hen = na een voorzetsel en als lv
AAN WIE EN WAARAAN
Aan wie: Personen
Waaraan: Dingen
WAT OF DAT
Dat= znw Het toestel dat wij willen kopen.
, Wat= als er Alles/niks/overtreffende trap of een betreffende zin voorstaat.
CONGRUENTIEFOUTEN
Enkelvoud of meervoud
Je kijkt naar wat het kernwoord in het onderwerp is.
VB: Het percentage goede antwoorden: Het precentage of het antwoorden? -> het percentage dus enkelvoud.
FOUTEN IN VASTE VERBINDINGEN
ZNW EN WW
Een lekker avondje tv zien (kijken)
WW EN VZ
Hij ergert zich verschrikkelijk over mij (het is aan)
VERKEERDE KEUZES
MITS OF TENZIJ
Mits= indien
Tenzij= behalve als
DAN OF ALS
Dan= na overtreffende trap
Als= niet overtreffende trap= even groot als ik
TWIJFELEN OF WEIFELEN
Twijfelen= iets niet zeker weten
Weifelen= niet zeker weten om iets te doen
NEIGEN/GENEIGD OF NIJGEN/GENEGEN
Neigen= van nature uit lust (Ik ben geneigd hem te geloven)
Nijgen= bereid zijn om iets te doen (Ik ben allesbehalve genegen dat te doen!)
SCHIJNBAAR OF BLIJKBAAR
Schijnbaar= zoals het lijkt (schijnbaar heeft hij gelijk, maar ik denk nogsteeds van niet)
Blijkbaar= zoals het is (Blijkbaar is het waar)’
TE DANKEN AAN/ TE WIJTEN AAN
Te danken aan= Positief
Te weiten aan= negatief
FUNGEREN OF FUNCTIONEREN
Fungeren= dienen, optreden als (De leraar fungeert als scheidsrechter bij de wedstrijd)