Inductief en deductief rederneren =
o Inductief = bottom-up, van specifieke observatie generalisatie
o Deductief = top-down, vanuit algemene gevolgtrekking bijzondere
Operationaliseren = inperken (uithoudingsvermogen gelopen afstand in 12 min)
Soms zijn dingen niet direct te meten indicatoren nodig om zichtbaar te maken
Voorbeeld= motorische controle.
o Indicatoren gebruiken bij meten construct
o Construct = niet observeerbaar proces dat wel meetbare verschijnselen ten
gevolge heeft intelligentie, gezondheid, sportiviteit en fysieke fitheid
Hypothese = veronderstelling omtrent de uitkomst van je onderzoek
o Op basis van literatuur
o In statistiek:
H0: geen verband/verschil/effect
H1: wel verband/verschil/effect
H0 is waar H1 is waar
H0 niet verwerpen Correct Type II fout
H0 verwerpen Type I fout correct
Type 1 fout: Verwerpen H0 maar H0 is wel waar
Type 2 fout: Kan ook dat H1 waar is, maar dat we H0 niet verwerpen
Opstellen hypothese verschil mannen en vrouwen in lenigheid
o H0 = geen verschil in lenigheid tussen mannen en vrouwen (tweezijdig
geen richting)
o H1 = wel verschil in lenigheid tussen mannen en vrouwen (tweezijdig)
H0 = mannen zijn leniger dan vrouwen of mannen en vrouwen zijn
even lenig (eenzijdig wel richting, 1 scenario)
H1 = Vrouwen zijn leniger dan mannen (eenzijdig)
Steekproef trekken =
o Toevallige greep (random mensen uit groep halen) (=Gerandomiseerde
steekproef)
o Systematische steekproef = niet heel random
o Populatie Strata (verschillende ‘’soorten’’ groeperen) random samples
(=Geslaagde steekproef)
o Gelegenheidssteekproef = Als iets niet mogelijk is, dus dan maar iets anders
(oppassen met generalisaties, dus is het wel representatief)
, Variabelen:
o Afhankelijke variabele (Pijl van rechts naar links)
o Onafhankelijke variabele (Pijl van links naar rechts zeg maar)
Mediator = zit midden in de keten, causaal
Moderator = beinvloed (katalysator) (aanmoediging)
Confounder = kan verschil verklaren onafhankelijke en afhankelijke
Meten = waarde toekennen aan bepaalde variabele
o Meetniveaus = 1. Nominaal 2. Ordinaal 3. Interval 4. Ratio (1 4 meer info)
o Nominaal en ordinaal zijn discreet, interval en ratio zijn continu
1 en 2 zijn qualitative waarden, 3 en 4 zijn kwantitief
Ordinaal meetniveau = catagorieen met volgorde (voetbal)(vragenlijst)
Interval meetniveau =
waarde geen betekenis
geen natuurlijk nulpunt
geen natuurlijke verhouding tussen waardes
Ratio meetniveau = gelijke afstanden in meetwaarden afstanden
Natuurlijk nulpunt (hardlopen)
Absoluut meetniveau: natuurlijke getallen, tellen
Meetniveau belangrijk om bepalen welke statistische maten en toetsen je kan
gebruiken
Meting: bij meetinstrument hoort zowel apparatuur en instructie
o Welk meetinstrument:
Wat wil je meten?
Bij wie wil je meten?
Wat zijn de beschikbare middelen?
Bestaat er een geschikt meetinstrument (evt. ontwikkelen of
aanpassen)
o Waar moet meetinstrument aan voldoen:
Uitvoerbaar zijn Afname veilig, kan iedereen meedoen, te duur etc.
Discrimineren onderscheidend vermogen (specifiek zijn)
Betrouwbaar zijn Test-hertest, consistentie, meetfouten (motivatie
proefpersoon, onjuist gebruik/afname) (Meetwaarde = ware score +
meetfout)
Systematische meetfouten
Toevallige meetfouten
Valide zijn
Test-hertest betrouwbaarheid = (betrouwbaarheid)
o Stability reliability
Correlatie = samenhang 2 variabelen
Ordinaal meetniveau = spearman’s r
o Inductief = bottom-up, van specifieke observatie generalisatie
o Deductief = top-down, vanuit algemene gevolgtrekking bijzondere
Operationaliseren = inperken (uithoudingsvermogen gelopen afstand in 12 min)
Soms zijn dingen niet direct te meten indicatoren nodig om zichtbaar te maken
Voorbeeld= motorische controle.
o Indicatoren gebruiken bij meten construct
o Construct = niet observeerbaar proces dat wel meetbare verschijnselen ten
gevolge heeft intelligentie, gezondheid, sportiviteit en fysieke fitheid
Hypothese = veronderstelling omtrent de uitkomst van je onderzoek
o Op basis van literatuur
o In statistiek:
H0: geen verband/verschil/effect
H1: wel verband/verschil/effect
H0 is waar H1 is waar
H0 niet verwerpen Correct Type II fout
H0 verwerpen Type I fout correct
Type 1 fout: Verwerpen H0 maar H0 is wel waar
Type 2 fout: Kan ook dat H1 waar is, maar dat we H0 niet verwerpen
Opstellen hypothese verschil mannen en vrouwen in lenigheid
o H0 = geen verschil in lenigheid tussen mannen en vrouwen (tweezijdig
geen richting)
o H1 = wel verschil in lenigheid tussen mannen en vrouwen (tweezijdig)
H0 = mannen zijn leniger dan vrouwen of mannen en vrouwen zijn
even lenig (eenzijdig wel richting, 1 scenario)
H1 = Vrouwen zijn leniger dan mannen (eenzijdig)
Steekproef trekken =
o Toevallige greep (random mensen uit groep halen) (=Gerandomiseerde
steekproef)
o Systematische steekproef = niet heel random
o Populatie Strata (verschillende ‘’soorten’’ groeperen) random samples
(=Geslaagde steekproef)
o Gelegenheidssteekproef = Als iets niet mogelijk is, dus dan maar iets anders
(oppassen met generalisaties, dus is het wel representatief)
, Variabelen:
o Afhankelijke variabele (Pijl van rechts naar links)
o Onafhankelijke variabele (Pijl van links naar rechts zeg maar)
Mediator = zit midden in de keten, causaal
Moderator = beinvloed (katalysator) (aanmoediging)
Confounder = kan verschil verklaren onafhankelijke en afhankelijke
Meten = waarde toekennen aan bepaalde variabele
o Meetniveaus = 1. Nominaal 2. Ordinaal 3. Interval 4. Ratio (1 4 meer info)
o Nominaal en ordinaal zijn discreet, interval en ratio zijn continu
1 en 2 zijn qualitative waarden, 3 en 4 zijn kwantitief
Ordinaal meetniveau = catagorieen met volgorde (voetbal)(vragenlijst)
Interval meetniveau =
waarde geen betekenis
geen natuurlijk nulpunt
geen natuurlijke verhouding tussen waardes
Ratio meetniveau = gelijke afstanden in meetwaarden afstanden
Natuurlijk nulpunt (hardlopen)
Absoluut meetniveau: natuurlijke getallen, tellen
Meetniveau belangrijk om bepalen welke statistische maten en toetsen je kan
gebruiken
Meting: bij meetinstrument hoort zowel apparatuur en instructie
o Welk meetinstrument:
Wat wil je meten?
Bij wie wil je meten?
Wat zijn de beschikbare middelen?
Bestaat er een geschikt meetinstrument (evt. ontwikkelen of
aanpassen)
o Waar moet meetinstrument aan voldoen:
Uitvoerbaar zijn Afname veilig, kan iedereen meedoen, te duur etc.
Discrimineren onderscheidend vermogen (specifiek zijn)
Betrouwbaar zijn Test-hertest, consistentie, meetfouten (motivatie
proefpersoon, onjuist gebruik/afname) (Meetwaarde = ware score +
meetfout)
Systematische meetfouten
Toevallige meetfouten
Valide zijn
Test-hertest betrouwbaarheid = (betrouwbaarheid)
o Stability reliability
Correlatie = samenhang 2 variabelen
Ordinaal meetniveau = spearman’s r