Thema 6 Gedrag en beweging
basisstof 1 Pubergedrag
Pubers vertonen vaak experimenteel en grensverleggend gedrag.
De structuur van de hersenen ontwikkelt zich in relatie tot de omgeving.
Verbindingen tussen hersencellen zijn flexibel en kunnen worden opgebouwd en
afgebroken.
Het grote leervermogen van jonge mensen hangt samen met de flexibiliteit (plasticiteit) van
de neurale netwerken in de hersenen.
De samenstelling van de neurale netwerken komt tot stand door erfelijke factoren en
door de prikkels die mensen krijgen.
Aan het einde van de adolescentie verliezen de neurale netwerken een groot deel
van hun flexibiliteit. → leren gaat moeizamer.
basisstof 2 Gedrag beschrijven
gedrag: alle waarneembare activiteiten die een mens of dier vertoont.
Gedrag is opgebouwd uit opeenvolgende handelingen (gedragselementen) die tot
stand komen door de werking van spieren/klieren.
Bij de meeste handelingen wordt gereageerd op een prikkel: een invloed uit het milieu op
een organisme. → respons: de reactie van een dier op prikkels.
Een etholoog kan niet zien wat zich inwendig in een dier afspeelt. → black box.
input: gegevens over de prikkels die een dier informatie verschaffen over het milieu.
output: gegevens over het gedrag van een dier.
Door de input en output te bestuderen, probeert een etholoog conclusies te trekken over de
processen die zich in een dier afspelen. Belangrijk daarbij is vooral kennis over het
zintuigen-, zenuw- en hormoonstelsel.
→ MRI-scanner levert informatie over de hersenactiviteit in relatie tot gedrag.
, gedragssysteem: handelingen met een gemeenschappelijk doel. Onder te verdelen in
subsystemen.
mensen en dieren:
- voortplantingsgedrag
- voedingsgedrag
mensen:
- kookgedrag
- rijgedrag
- studeergedrag
De handelingen in een gedragssysteem volgen elkaar vaak in een vaste volgorde op. Als het
effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling → gedragsketen.
bv. de balts
ethologie: de studie van gedrag.
Gedrag wordt bestudeerd door het op te splitsen in afzonderlijke handelingen.
ethogram: een overzicht van objectieve beschrijvingen (geen meningen of
interpretaties) van de handelingen van een diersoort.
→ kwalificeren van gedrag.
protocol: een lijst met achtereenvolgens waargenomen handelingen van een dier.
→ kwantificeren van gedrag.
M.b.v. een protocol kunnen o.a. de volgende vragen beantwoord worden:
- Hoe vaak komt elke handeling voor?
- Hoe lang duurt elke handeling?
- Is er een vaste volgorde tussen bepaalde handelingen?
Bij een beschrijvend onderzoek wordt de conclusie geformuleerd als het antwoord op de
onderzoeksvraag.
basisstof 1 Pubergedrag
Pubers vertonen vaak experimenteel en grensverleggend gedrag.
De structuur van de hersenen ontwikkelt zich in relatie tot de omgeving.
Verbindingen tussen hersencellen zijn flexibel en kunnen worden opgebouwd en
afgebroken.
Het grote leervermogen van jonge mensen hangt samen met de flexibiliteit (plasticiteit) van
de neurale netwerken in de hersenen.
De samenstelling van de neurale netwerken komt tot stand door erfelijke factoren en
door de prikkels die mensen krijgen.
Aan het einde van de adolescentie verliezen de neurale netwerken een groot deel
van hun flexibiliteit. → leren gaat moeizamer.
basisstof 2 Gedrag beschrijven
gedrag: alle waarneembare activiteiten die een mens of dier vertoont.
Gedrag is opgebouwd uit opeenvolgende handelingen (gedragselementen) die tot
stand komen door de werking van spieren/klieren.
Bij de meeste handelingen wordt gereageerd op een prikkel: een invloed uit het milieu op
een organisme. → respons: de reactie van een dier op prikkels.
Een etholoog kan niet zien wat zich inwendig in een dier afspeelt. → black box.
input: gegevens over de prikkels die een dier informatie verschaffen over het milieu.
output: gegevens over het gedrag van een dier.
Door de input en output te bestuderen, probeert een etholoog conclusies te trekken over de
processen die zich in een dier afspelen. Belangrijk daarbij is vooral kennis over het
zintuigen-, zenuw- en hormoonstelsel.
→ MRI-scanner levert informatie over de hersenactiviteit in relatie tot gedrag.
, gedragssysteem: handelingen met een gemeenschappelijk doel. Onder te verdelen in
subsystemen.
mensen en dieren:
- voortplantingsgedrag
- voedingsgedrag
mensen:
- kookgedrag
- rijgedrag
- studeergedrag
De handelingen in een gedragssysteem volgen elkaar vaak in een vaste volgorde op. Als het
effect van de ene handeling leidt tot een volgende handeling → gedragsketen.
bv. de balts
ethologie: de studie van gedrag.
Gedrag wordt bestudeerd door het op te splitsen in afzonderlijke handelingen.
ethogram: een overzicht van objectieve beschrijvingen (geen meningen of
interpretaties) van de handelingen van een diersoort.
→ kwalificeren van gedrag.
protocol: een lijst met achtereenvolgens waargenomen handelingen van een dier.
→ kwantificeren van gedrag.
M.b.v. een protocol kunnen o.a. de volgende vragen beantwoord worden:
- Hoe vaak komt elke handeling voor?
- Hoe lang duurt elke handeling?
- Is er een vaste volgorde tussen bepaalde handelingen?
Bij een beschrijvend onderzoek wordt de conclusie geformuleerd als het antwoord op de
onderzoeksvraag.