Hoofdstuk 2
Klinisch redeneren
2.2 Verpleegkundig redeneren en
verpleegkundige kennis
2.1 Wat is het verpleegkundig redeneren
Verpleegkundig redeneren is het proces waarbij kennis en ervaring ingezet worden om tot
een oplossing voor patiëntenproblemen te komen. Het is essentieel voor een goede
verpleegkundige beroepsuitoefening. Fonteyn en Ritter geven enkele definities van
redeneren. Fonteyn omschrijft redeneren als het cognitieve proces dat verpleegkundigen
gebruiken wanneer ze de gegevens over de patiënt beoordelen en analyseren met als doel:
zorg te plannen en zorg uit te voeren om positieve patiëntenresultaten te bereiken. Ritter
omschrijft redeneren als de cognitieve processen en strategieën die verpleegkundigen
gebruiken om problemen te diagnosticeren, om klinische besluiten te nemen om de
problemen van patiënten aan te pakken en positieve patiëntenresultaten te bereiken.
Volgens Tanner gaat het bij verpleegkundig redeneren om een interpretatie van of
conclusies trekken met betrekking tot behoeftes, vragen, zorgen en gezondheidsproblemen
van de patiënt en het besluit actie te ondernemen (of niet), om standaard zorg te verlenen of
die aan te passen of een nieuwe benadering te kiezen die past bij de manier waarop de
patiënt het ziek zijn ervaart en er mee om gaat.
2.2 Verpleegkundige kennis
Verpleegkundig redeneren kan natuurlijk niet zonder de toepassing van verpleegkundige
kennis. We benadrukken het belang van het gebruik maken door de verpleegkundige van
drie bronnen kennis:
Wetenschappelijke kennis
Kennis op grond van ervaring van de individuele verpleegkundige
Tenslotte de waarden, normen en opvattingen van de patiënt
2.3 Reflectieve praktijkvoering
3.2 Reflectie en onderzoek
Rolfe onderscheidt een hiërarchie in verpleegkundig onderzoek en verduidelijkt op welk
niveau reflectie na het handelen belangrijk is;
Niveau 4: doorvoeren van verandering
Niveau 3: individueel begrip
Niveau 2: globaal begrip
Niveau 1: verklaren
Het doel van niveau 1 onderzoek (verklaren) is om objectieve bevindingen op een neutrale
manier te presenteren. Niveau 1 levert informatie op.
Niveau 2 onderzoek (globaal begrip) houdt zich vooral bezig met interpreteren en betekenis
geven aan de resultaten van onderzoek.
, Niveau 3 onderzoek (individueel begrip) is gebaseerd op het proces van reflectie na het
handelen (reflection on action). Op dit niveau is de onderzoeken vooral gericht op het
onderzoeken van de eigen praktijk.
Niveau 4 onderzoek (doorvoeren van verandering) verwijst naar het inbouwen van het
verworven inzicht in het handelen van de verpleegkundige.
2.4 Hulpmiddelen bij het verpleegkundig
redeneren
4.1 Methoden van diagnostisch redeneren
4.1.1 Traditionele methode
Hierbij is sprake van een vast patroon dat uitgaat van de volgende chronologie: anamnese
afnemen, lichamelijk onderzoek, laboratorium- en instrumenteel onderzoek.
4.1.2 Vooraf gestelde diagnose
Het kan voorkomen dat er al diagnoses zijn gesteld door een verpleegkundige. Dat is
bijvoorbeeld het geval wanneer iemand vanuit het ziekenhuis naar het verpleeghuis gaat. In
de overdracht die door de (transfer-)verpleegkundige wordt geschreven staan de
verpleegkundige diagnose die op het moment van de overdracht nog actueel zijn.
4.1.3 Onbewust activeren van een diagnostische hypothese
Hiervan spreken we indien de verpleegkundige bij het zien van de patiënt op het eerste oog
meent te zien wat er aan de hand is. Wanneer een verpleegkundige bijvoorbeeld bij een
patiënt komt die net geopereerd is, kreunt, misselijk is, ongebruikelijke houding en inactief is,
ligt het voor de hand te veronderstellen dat er sprake is van het verpleegprobleem pijn. We
noemen dit patroonherkenning.
Soms is er sprake van een duidelijk zichtbare afwijking op grond waarvan de diagnose door
de verpleegkundige gesteld kan worden.
4.1.4 Intuïtie, voorgevoel, ingeving
Deze methode is gebaseerd op een voorgevoel of intuïtie. Dat geldt bijvoorbeeld indien de
verpleegkundige symptomen waarneemt die je verwacht in de gegeven situatie.
4.1.5 Vroege hypothesevorming
Bij vroege hypothesevorming stelt de verpleegkundige al in een zeer vroeg stadium
specifieke hypothesen op en vervolgens probeert zij die hypothesen te verwerpen of te
aanvaarden.
4.1.6 Analyse van sleutelsymptomen (key clues)
In deze situatie gaat het om ernstige signalen die voor de verpleegkundige een aanwijzing
zijn dat er iets alarmerend aan de hand is.
4.2 Het OPT-model
Klinisch redeneren
2.2 Verpleegkundig redeneren en
verpleegkundige kennis
2.1 Wat is het verpleegkundig redeneren
Verpleegkundig redeneren is het proces waarbij kennis en ervaring ingezet worden om tot
een oplossing voor patiëntenproblemen te komen. Het is essentieel voor een goede
verpleegkundige beroepsuitoefening. Fonteyn en Ritter geven enkele definities van
redeneren. Fonteyn omschrijft redeneren als het cognitieve proces dat verpleegkundigen
gebruiken wanneer ze de gegevens over de patiënt beoordelen en analyseren met als doel:
zorg te plannen en zorg uit te voeren om positieve patiëntenresultaten te bereiken. Ritter
omschrijft redeneren als de cognitieve processen en strategieën die verpleegkundigen
gebruiken om problemen te diagnosticeren, om klinische besluiten te nemen om de
problemen van patiënten aan te pakken en positieve patiëntenresultaten te bereiken.
Volgens Tanner gaat het bij verpleegkundig redeneren om een interpretatie van of
conclusies trekken met betrekking tot behoeftes, vragen, zorgen en gezondheidsproblemen
van de patiënt en het besluit actie te ondernemen (of niet), om standaard zorg te verlenen of
die aan te passen of een nieuwe benadering te kiezen die past bij de manier waarop de
patiënt het ziek zijn ervaart en er mee om gaat.
2.2 Verpleegkundige kennis
Verpleegkundig redeneren kan natuurlijk niet zonder de toepassing van verpleegkundige
kennis. We benadrukken het belang van het gebruik maken door de verpleegkundige van
drie bronnen kennis:
Wetenschappelijke kennis
Kennis op grond van ervaring van de individuele verpleegkundige
Tenslotte de waarden, normen en opvattingen van de patiënt
2.3 Reflectieve praktijkvoering
3.2 Reflectie en onderzoek
Rolfe onderscheidt een hiërarchie in verpleegkundig onderzoek en verduidelijkt op welk
niveau reflectie na het handelen belangrijk is;
Niveau 4: doorvoeren van verandering
Niveau 3: individueel begrip
Niveau 2: globaal begrip
Niveau 1: verklaren
Het doel van niveau 1 onderzoek (verklaren) is om objectieve bevindingen op een neutrale
manier te presenteren. Niveau 1 levert informatie op.
Niveau 2 onderzoek (globaal begrip) houdt zich vooral bezig met interpreteren en betekenis
geven aan de resultaten van onderzoek.
, Niveau 3 onderzoek (individueel begrip) is gebaseerd op het proces van reflectie na het
handelen (reflection on action). Op dit niveau is de onderzoeken vooral gericht op het
onderzoeken van de eigen praktijk.
Niveau 4 onderzoek (doorvoeren van verandering) verwijst naar het inbouwen van het
verworven inzicht in het handelen van de verpleegkundige.
2.4 Hulpmiddelen bij het verpleegkundig
redeneren
4.1 Methoden van diagnostisch redeneren
4.1.1 Traditionele methode
Hierbij is sprake van een vast patroon dat uitgaat van de volgende chronologie: anamnese
afnemen, lichamelijk onderzoek, laboratorium- en instrumenteel onderzoek.
4.1.2 Vooraf gestelde diagnose
Het kan voorkomen dat er al diagnoses zijn gesteld door een verpleegkundige. Dat is
bijvoorbeeld het geval wanneer iemand vanuit het ziekenhuis naar het verpleeghuis gaat. In
de overdracht die door de (transfer-)verpleegkundige wordt geschreven staan de
verpleegkundige diagnose die op het moment van de overdracht nog actueel zijn.
4.1.3 Onbewust activeren van een diagnostische hypothese
Hiervan spreken we indien de verpleegkundige bij het zien van de patiënt op het eerste oog
meent te zien wat er aan de hand is. Wanneer een verpleegkundige bijvoorbeeld bij een
patiënt komt die net geopereerd is, kreunt, misselijk is, ongebruikelijke houding en inactief is,
ligt het voor de hand te veronderstellen dat er sprake is van het verpleegprobleem pijn. We
noemen dit patroonherkenning.
Soms is er sprake van een duidelijk zichtbare afwijking op grond waarvan de diagnose door
de verpleegkundige gesteld kan worden.
4.1.4 Intuïtie, voorgevoel, ingeving
Deze methode is gebaseerd op een voorgevoel of intuïtie. Dat geldt bijvoorbeeld indien de
verpleegkundige symptomen waarneemt die je verwacht in de gegeven situatie.
4.1.5 Vroege hypothesevorming
Bij vroege hypothesevorming stelt de verpleegkundige al in een zeer vroeg stadium
specifieke hypothesen op en vervolgens probeert zij die hypothesen te verwerpen of te
aanvaarden.
4.1.6 Analyse van sleutelsymptomen (key clues)
In deze situatie gaat het om ernstige signalen die voor de verpleegkundige een aanwijzing
zijn dat er iets alarmerend aan de hand is.
4.2 Het OPT-model