Biologie H10 Evolutie
10.1 Fossielen en hun ouderdom
Fossielen = Resten en sporen van organismen uit een ver verleden.
Fossalisatie = De vorming van een fossiel —> Begint met een aardverschuiving, waarbij een dood
organisme luchtdicht is afgedekt. Mineralen uit de bodem vervangen de organische stoffen in de
botresten.
Gidsfossielen zorgen er voor dat er onderscheid gemaakt kan worden verschillende aardlagen en dat
de ouderdom van de aardlaag ten opzichte van de volgende aardlaag vastgesteld kan worden.
Relatieve ouderdomsbepaling = De ouderdom bepalen van de fossielen ten opzichte van elkaar.
Absolute ouderdomsbepaling = Daarmee wordt de ouderdom van een aardlaag of fossiel nauwkeurig
bepaald. Bij een absolute ouderdomsbepaling wordt er gebruik gemaakt van radioactieve atomen.
Van veel atoomsoorten zijn meerdere isotopen bekend.
Isotopen = Verschillende vormen van een element, elk met een andere atoommassa.
Sommige isotopen vallen uit elkaar en geven daar straling bij af = radioactief. Dan gaan ze over in
een stof die niet meer radioactief is. = Radioactief verval
Halveringstijd = De tijd waarin de helft van de hoeveelheid radioactieve isotopen uit elkaar valt.
10.2 Soorten veranderen
Een nieuwe eigenschap begint met een mutatie Een mutatie is een verandering in een gen in het
DNA. Vele mutaties verlagen de overlevingskans van het organisme.
Combinaties van verschillende mutaties leiden tot het ontstaan van een nieuwe eigenschap
Fenotype veranderd.
Allelfrequentie = De procentuele verdeling van de allelen van een bepaald gen in de populatie.
Daardoor plantten de nieuwe organismen zich niet meer voort met de oudere ‘eerdere’ generatie
Ontstaat een nieuwe soort.
Evolutie = De ontwikkeling van soorten in de tijd Gaat langzaam.
Mutageen = Veroorzaken mutaties in het DNA Sommige stoffen, straling en UV-licht zijn
mutageen.
Puntmutatie = Een verandering in één base Kan leiden tot een nieuw allel, wat een nieuw eiwit
levert met een andere bouw of activiteit.
Chromosoommutaties Veranderingen groter dan één base, vaak meerdere genen. Hele stukken
DNA kunnen verdwijnen, verdubbelen of omkeren.
Genoommutatie = Een verandering in het aantal chromosomen.
Tetraploïde cellen hebben van elk chromosoom vier exemplaren. Zij ontstaan als een cel bij
mitose geen trekdaden vormt. = Geen splitsing van de cel.
Bij geslachtelijke voortplanting geven beide ouders de helft van hun chromosomen door aan de
nakomeling. Recombinatie
Recombinatie = De nieuwe combinatie van allelen in een nakomeling. Ontstaan door een mix van de
allelen in de ei- en zaadcel van de ouders. Ontstaan combinaties aan eigenschappen die niet bij de
ouders voorkomt.
Binnen een populatie geeft geslachtelijke voortplanting meestal veel genetische variatie. Al de allelen
in een populatie samen = Genenpool van de populatie.
Natuurlijke selectie = Allerlei factoren bepalen welke individuen het langst overleven en de meeste
nakomelingen krijgen.
10.1 Fossielen en hun ouderdom
Fossielen = Resten en sporen van organismen uit een ver verleden.
Fossalisatie = De vorming van een fossiel —> Begint met een aardverschuiving, waarbij een dood
organisme luchtdicht is afgedekt. Mineralen uit de bodem vervangen de organische stoffen in de
botresten.
Gidsfossielen zorgen er voor dat er onderscheid gemaakt kan worden verschillende aardlagen en dat
de ouderdom van de aardlaag ten opzichte van de volgende aardlaag vastgesteld kan worden.
Relatieve ouderdomsbepaling = De ouderdom bepalen van de fossielen ten opzichte van elkaar.
Absolute ouderdomsbepaling = Daarmee wordt de ouderdom van een aardlaag of fossiel nauwkeurig
bepaald. Bij een absolute ouderdomsbepaling wordt er gebruik gemaakt van radioactieve atomen.
Van veel atoomsoorten zijn meerdere isotopen bekend.
Isotopen = Verschillende vormen van een element, elk met een andere atoommassa.
Sommige isotopen vallen uit elkaar en geven daar straling bij af = radioactief. Dan gaan ze over in
een stof die niet meer radioactief is. = Radioactief verval
Halveringstijd = De tijd waarin de helft van de hoeveelheid radioactieve isotopen uit elkaar valt.
10.2 Soorten veranderen
Een nieuwe eigenschap begint met een mutatie Een mutatie is een verandering in een gen in het
DNA. Vele mutaties verlagen de overlevingskans van het organisme.
Combinaties van verschillende mutaties leiden tot het ontstaan van een nieuwe eigenschap
Fenotype veranderd.
Allelfrequentie = De procentuele verdeling van de allelen van een bepaald gen in de populatie.
Daardoor plantten de nieuwe organismen zich niet meer voort met de oudere ‘eerdere’ generatie
Ontstaat een nieuwe soort.
Evolutie = De ontwikkeling van soorten in de tijd Gaat langzaam.
Mutageen = Veroorzaken mutaties in het DNA Sommige stoffen, straling en UV-licht zijn
mutageen.
Puntmutatie = Een verandering in één base Kan leiden tot een nieuw allel, wat een nieuw eiwit
levert met een andere bouw of activiteit.
Chromosoommutaties Veranderingen groter dan één base, vaak meerdere genen. Hele stukken
DNA kunnen verdwijnen, verdubbelen of omkeren.
Genoommutatie = Een verandering in het aantal chromosomen.
Tetraploïde cellen hebben van elk chromosoom vier exemplaren. Zij ontstaan als een cel bij
mitose geen trekdaden vormt. = Geen splitsing van de cel.
Bij geslachtelijke voortplanting geven beide ouders de helft van hun chromosomen door aan de
nakomeling. Recombinatie
Recombinatie = De nieuwe combinatie van allelen in een nakomeling. Ontstaan door een mix van de
allelen in de ei- en zaadcel van de ouders. Ontstaan combinaties aan eigenschappen die niet bij de
ouders voorkomt.
Binnen een populatie geeft geslachtelijke voortplanting meestal veel genetische variatie. Al de allelen
in een populatie samen = Genenpool van de populatie.
Natuurlijke selectie = Allerlei factoren bepalen welke individuen het langst overleven en de meeste
nakomelingen krijgen.