Biologie H1 gedrag
1.1 Communicatie
Gedrag = Alles wat een mens of dier doet of juist niet doet Sociale functies
Prikkels = Veranderingen in de omgeving Beïnvloeden gedrag
Ritueel gedrag = Bedoel om spanningen te verminderen of te voorkomen Bestaat uit een aantal
handelingen in een bepaalde volgorde
Persoonlijke ruimte = Een ruimte om je heen die bepaalt hoe ver een soortgenoot mag naderen
zonder dat je je bedreigd voelt. De grootte van je persoonlijke ruimte hangt af van de situatie
Signalen = Prikkels met informatie
Rangorde = De plaats in een groep
Communicatie = Signalen/prikkels uitwisselen om de rangorde te bepalen of territorium te
markeren/verdedigen.
30% van alle communicatie = Verbaal
70% van alle communicatie = Non-verbaal/Lichaamstaal
Signalen worden gebruikt om territoriums te verdedigen Geluidssignalen en geursignalen
Signalen worden ook gebruikt om vrouwtjes te lokken
Baltsgedrag = Ritueel gedrag ter voorbereiding van een paring.
Dreiggedrag = Een agressieve houding waarmee ze aangeven dat ze de baas zijn Bedoeld om
vechten te voorkomen.
1.2 Prikkels
Respons = Een reactie op een prikkel
Uitwendige prikkel = Een prikkel die van buiten het lichaam komt (bijvoorbeeld een verandering van
de temperatuur)
Inwendige prikkel = Een prikkel die van binnen het lichaam komt (bijvoorbeeld een verandering met
hormonen)
Feromonen = Hormoonachtige stoffen die door middel van geur, soortgenoten kunnen beïnvloeden.
Geurspoor = Een spoor van geur
Geslachtshormonen = Hormonen die belangrijk zijn voor het functioneren van de geslachtsorganen.
Zintuigen vangen prikkels op (horen, zien, voelen, proeven en ruiken)
Sleutelprikkel = Een prikkel die altijd hetzelfde gedrag tot gevolg heeft.
Supernormale prikkel = Een versterkte sleutelprikkel waarop een sterke reactie volgt.
- Voor prikkels is een motivatie nodig
- Voor een respons op die prikkels is genoeg motivatie nodig om de drempelwaarde te
bereiken.
Gedrag kan aangeboren of aangeleerd zijn
Aangeboren = Als dieren/mensen iets direct na de geboorte al kunnen zonder dat dit aangeleerd is.
Aangeleerd = Als dieren/mensen iets aanleren (bijvoorbeeld politiepaarden die na verloop van
trainingen niet meer schrikken van vuurwerk.)
1.1 Communicatie
Gedrag = Alles wat een mens of dier doet of juist niet doet Sociale functies
Prikkels = Veranderingen in de omgeving Beïnvloeden gedrag
Ritueel gedrag = Bedoel om spanningen te verminderen of te voorkomen Bestaat uit een aantal
handelingen in een bepaalde volgorde
Persoonlijke ruimte = Een ruimte om je heen die bepaalt hoe ver een soortgenoot mag naderen
zonder dat je je bedreigd voelt. De grootte van je persoonlijke ruimte hangt af van de situatie
Signalen = Prikkels met informatie
Rangorde = De plaats in een groep
Communicatie = Signalen/prikkels uitwisselen om de rangorde te bepalen of territorium te
markeren/verdedigen.
30% van alle communicatie = Verbaal
70% van alle communicatie = Non-verbaal/Lichaamstaal
Signalen worden gebruikt om territoriums te verdedigen Geluidssignalen en geursignalen
Signalen worden ook gebruikt om vrouwtjes te lokken
Baltsgedrag = Ritueel gedrag ter voorbereiding van een paring.
Dreiggedrag = Een agressieve houding waarmee ze aangeven dat ze de baas zijn Bedoeld om
vechten te voorkomen.
1.2 Prikkels
Respons = Een reactie op een prikkel
Uitwendige prikkel = Een prikkel die van buiten het lichaam komt (bijvoorbeeld een verandering van
de temperatuur)
Inwendige prikkel = Een prikkel die van binnen het lichaam komt (bijvoorbeeld een verandering met
hormonen)
Feromonen = Hormoonachtige stoffen die door middel van geur, soortgenoten kunnen beïnvloeden.
Geurspoor = Een spoor van geur
Geslachtshormonen = Hormonen die belangrijk zijn voor het functioneren van de geslachtsorganen.
Zintuigen vangen prikkels op (horen, zien, voelen, proeven en ruiken)
Sleutelprikkel = Een prikkel die altijd hetzelfde gedrag tot gevolg heeft.
Supernormale prikkel = Een versterkte sleutelprikkel waarop een sterke reactie volgt.
- Voor prikkels is een motivatie nodig
- Voor een respons op die prikkels is genoeg motivatie nodig om de drempelwaarde te
bereiken.
Gedrag kan aangeboren of aangeleerd zijn
Aangeboren = Als dieren/mensen iets direct na de geboorte al kunnen zonder dat dit aangeleerd is.
Aangeleerd = Als dieren/mensen iets aanleren (bijvoorbeeld politiepaarden die na verloop van
trainingen niet meer schrikken van vuurwerk.)