Latijn samenvatting hoofdstuk 5 vertellen Stijlfiguren en
Narratologische begrippen Studeo
Alliteratie: herhaling van medeklinker bij twee of meer woorden die dicht bij elkaar staan.
Anafoor: herhaling van een tekstelement aan het begin van de opvolgende delen van zinnen
of versregels. Hoeven niet in dezelfde vorm te staan.
Antithese: tegenstelling, dicht bij elkaar geplaatst staan van inhoudelijk tegenovergestelde
begrippen.
Asyndeton: de opvolging van twee of meer tekstelementen zonder verbindingswoord
Chiasme: kruistelling, a,b,b,a. kruisgewijze plaatsing van grammaticaal en/of inhoudelijk
gelijkwaardige tekstelementen.
Climax: reeks van minstens drie tekstelementen met een steeds sterker wordende inhoud.
Enallage: verwisseling, de verbinding van een bijvoeglijk naamwoord met een ander
zelfstandig naamwoord dan waarbij het qua betekenis past.
Eufemisme: weergave van een negatief geladen begrip door een verzachtende aanduiding
Hyperbaton: uiteen plaatsing van woorden die een grammaticale eenheid vormen.
Litotes: ontkenning van een begrip waardoor het tegendeel benadrukt wordt. Bijvoorbeeld
‘dat is niet onaardig’= dat is erg goed
Metafoor: een vorm van beeldspraak waarbij alleen het beeld wordt genoemd. Bijvoorbeeld
vuur= liefde
Metonymie: vervanging van een woord door een ander word uit hetzelfde betekenisveld.
Abstractum pro concreto: abstract i.p.v. concrete begrip, bv. Mijn verlangen= mijn geliefde
Concretum pro abstracto: concreet i.p.v. abstract begrip, bv huwelijksfakkel= huwelijk
Naam van een god(in) i.p.v. een begrip uit zijn haar invloedssfeer
God van de wijn-> wijn
Materiaal i.p.v. voorwerp: ijzer= zwaard
Pars pro toto: deel i.p.v. geheel: carina-> kiel van een schip-> schip
Paradox: een schijnbare tegenstrijdigheid.
Parallelisme: het verschijnsel dat twee of meer zinnen/zinsdelen dezelfde structuur hebben
Personificatie: vorm van beeldspraak waarbij levenloze dingen, voorwerpen of abstracties
als levende wezens worden voorgesteld.
Pleonasme: een begrip toekennen van een kwalificatie die reeds in het begrip besloten ligt.
Bv. Het groene gras, een potentiële kans.
Narratologische begrippen Studeo
Alliteratie: herhaling van medeklinker bij twee of meer woorden die dicht bij elkaar staan.
Anafoor: herhaling van een tekstelement aan het begin van de opvolgende delen van zinnen
of versregels. Hoeven niet in dezelfde vorm te staan.
Antithese: tegenstelling, dicht bij elkaar geplaatst staan van inhoudelijk tegenovergestelde
begrippen.
Asyndeton: de opvolging van twee of meer tekstelementen zonder verbindingswoord
Chiasme: kruistelling, a,b,b,a. kruisgewijze plaatsing van grammaticaal en/of inhoudelijk
gelijkwaardige tekstelementen.
Climax: reeks van minstens drie tekstelementen met een steeds sterker wordende inhoud.
Enallage: verwisseling, de verbinding van een bijvoeglijk naamwoord met een ander
zelfstandig naamwoord dan waarbij het qua betekenis past.
Eufemisme: weergave van een negatief geladen begrip door een verzachtende aanduiding
Hyperbaton: uiteen plaatsing van woorden die een grammaticale eenheid vormen.
Litotes: ontkenning van een begrip waardoor het tegendeel benadrukt wordt. Bijvoorbeeld
‘dat is niet onaardig’= dat is erg goed
Metafoor: een vorm van beeldspraak waarbij alleen het beeld wordt genoemd. Bijvoorbeeld
vuur= liefde
Metonymie: vervanging van een woord door een ander word uit hetzelfde betekenisveld.
Abstractum pro concreto: abstract i.p.v. concrete begrip, bv. Mijn verlangen= mijn geliefde
Concretum pro abstracto: concreet i.p.v. abstract begrip, bv huwelijksfakkel= huwelijk
Naam van een god(in) i.p.v. een begrip uit zijn haar invloedssfeer
God van de wijn-> wijn
Materiaal i.p.v. voorwerp: ijzer= zwaard
Pars pro toto: deel i.p.v. geheel: carina-> kiel van een schip-> schip
Paradox: een schijnbare tegenstrijdigheid.
Parallelisme: het verschijnsel dat twee of meer zinnen/zinsdelen dezelfde structuur hebben
Personificatie: vorm van beeldspraak waarbij levenloze dingen, voorwerpen of abstracties
als levende wezens worden voorgesteld.
Pleonasme: een begrip toekennen van een kwalificatie die reeds in het begrip besloten ligt.
Bv. Het groene gras, een potentiële kans.