Wee Onderwerp(en) Literatuur
1 Hoor- en werkcollege: algemene inleiding, het Verplicht
strafbare feit. Grondtrekken van het
Nederlandse strafrecht:
Hoofdstuk 1 (niet par. 1.3)
Hoofdstuk 2 par. 2.1 t/m
2.6
Leerdoelen week 1
Na bestudering van deze hoofdstukken kun je:
- het verband tussen het geweldsmonopolie van de overheid en het
verbod tot eigenrichting uitleggen;
Geweldsmonopolie van de overheid
Bij geweldsmonopolie verbied de overheid het gebruik van geweld door de
burgers zelf. De overheid geeft bepaalde instanties zoals de politie en de
krijgsmacht de bevoegdheid om orde hand te haven.
Het straffen gebeurt niet door de burgers zelf maar door de overheid. De staat
heeft het monopolie op straffen. Als een burger een strafbaar feit pleegt, moet
hij zijn verantwoording afleggen aan de overheid, die hem namens de
samenleving een straf kan opleggen.
Het verbod tot eigenrichting
Bij een verbod tot eigenrichting is het verboden om het recht in eigen handen
te nemen of om zelf voor rechter te spelen. (Bijvoorbeeld om wraak te nemen
op iemand.)
Er moet eerst aangifte gedaan worden bij de politie. De politie gaat dan
vervolgens de zaak onderzoeken en na verloop van tijd zullen de resultaten
van dit onderzoek terechtkomen bij de officier van justitie. De officier van
justitie besluit dan vervolgens dat de verdachte moet verschijnen voor de
rechter.
Verband: omdat je het verbod hebt om hef in eigen handen te nemen moet je
een overheid hebben die dat wel gaat doen.
- het begrip legaliteitsbeginsel definiëren en dit beginsel toepassen op
een eenvoudige casus;
Artikel 1 Wetboek van Strafrecht:
‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht va een daaraan voorafgegane wettelijke
strafbepaling.’
Legaliteitsbeginsel
1. Strafbepaling in de wet: zonder een geschreven strafbepaling kan nooit
strafbaarheid bestaan. De rechter moet in het vonnis ook altijd precies
aangeven waar in de wet het feit dat de verdacht heeft gepleegd strafbaar is
gesteld (kwalificatie)
2. Verbod van terugwerkende kracht: iets moet al in de wet staan voordat je
ervoor kan worden vervolgd. Je mag er dan nog niet voor vervolgd worden als
er iets niet in de wet staat.
1 Hoor- en werkcollege: algemene inleiding, het Verplicht
strafbare feit. Grondtrekken van het
Nederlandse strafrecht:
Hoofdstuk 1 (niet par. 1.3)
Hoofdstuk 2 par. 2.1 t/m
2.6
Leerdoelen week 1
Na bestudering van deze hoofdstukken kun je:
- het verband tussen het geweldsmonopolie van de overheid en het
verbod tot eigenrichting uitleggen;
Geweldsmonopolie van de overheid
Bij geweldsmonopolie verbied de overheid het gebruik van geweld door de
burgers zelf. De overheid geeft bepaalde instanties zoals de politie en de
krijgsmacht de bevoegdheid om orde hand te haven.
Het straffen gebeurt niet door de burgers zelf maar door de overheid. De staat
heeft het monopolie op straffen. Als een burger een strafbaar feit pleegt, moet
hij zijn verantwoording afleggen aan de overheid, die hem namens de
samenleving een straf kan opleggen.
Het verbod tot eigenrichting
Bij een verbod tot eigenrichting is het verboden om het recht in eigen handen
te nemen of om zelf voor rechter te spelen. (Bijvoorbeeld om wraak te nemen
op iemand.)
Er moet eerst aangifte gedaan worden bij de politie. De politie gaat dan
vervolgens de zaak onderzoeken en na verloop van tijd zullen de resultaten
van dit onderzoek terechtkomen bij de officier van justitie. De officier van
justitie besluit dan vervolgens dat de verdachte moet verschijnen voor de
rechter.
Verband: omdat je het verbod hebt om hef in eigen handen te nemen moet je
een overheid hebben die dat wel gaat doen.
- het begrip legaliteitsbeginsel definiëren en dit beginsel toepassen op
een eenvoudige casus;
Artikel 1 Wetboek van Strafrecht:
‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht va een daaraan voorafgegane wettelijke
strafbepaling.’
Legaliteitsbeginsel
1. Strafbepaling in de wet: zonder een geschreven strafbepaling kan nooit
strafbaarheid bestaan. De rechter moet in het vonnis ook altijd precies
aangeven waar in de wet het feit dat de verdacht heeft gepleegd strafbaar is
gesteld (kwalificatie)
2. Verbod van terugwerkende kracht: iets moet al in de wet staan voordat je
ervoor kan worden vervolgd. Je mag er dan nog niet voor vervolgd worden als
er iets niet in de wet staat.