DEEL 2: ORGANISATIE EN INRICHTING VAN ONDERWIJS
Hoofdstuk 4: Het verloop en het beheer van het klasgebeuren (Patricia Bijttebier,
Greet Gevaert, Kris Van den Branden en Jan Elen)
Kernwoorden: adolescentie, groepsvorming, hersenen, identiteit, klasmanagement, klasgebeuren,
ontwikkeling, schooltaal, taalbeleid
1. Inleiding
Onderwijzen is een complexe aangelegenheid waarin leraren en leerlingen samen inspanningen leveren
om doelgericht leren tot stand te brengen.
- Onderwijzen gebeurt steeds ergens, verloopt in een specifieke taal, op een bepaald moment, met
specifieke leerlingen, in een specifieke klasgroep, binnen een specifiek lokaal, op een school met
eigen infrastructuur, regels en gebruiken.
Deze elementen geven vorm aan een pedagogisch-didactisch handelen van leraren en ook aan gedrag
van leerlingen in de klas. Ze oefenen invloed uit op klasgebeuren en beïnvloeden elkaar.
In dit hoofdstuk bespreken we 3 zaken die invloed uitoefenen:
- Leerling: vanuit een ontwikkelingspsychologisch perspectief
- Klas als groep: groepsdynamiek
- ‘Medium of construction’: invloed van taal en specifieke vormen van taalgebruik op
klasgebeuren
2. Leerlingen als adolescenten: een ontwikkelingspsychologisch perspectief
ADOLESCENTIE = ontwikkelingsfase die begint met de puberteit en eindigt met de (jong)
volwassenheid. Deze periode valt grotendeels samen met de tijd die lln. in secundair onderwijs
doorbrengen. (Verhulst 2021)
ONTWIKKELING = een proces van geleidelijke verandering, groei en verbetering, waarbij iets zich
ontvouwt van een beginstadium naar een meer complex, functioneel of volwassen niveau. Door
veranderingen in hersenen en hormonale processen gebeurt dit voor adolescenten op lichamelijk
vlak, cognitief vlak, zelfbeleving en relaties met anderen.
2.1 Lichamelijke ontwikkeling
HERSENEN = vormen het deel van het centrale zenuwstelstel dat zich in het hoofd bevindt. De
hersenen vormen het waarnemende, aansturende, controlerende en informatieverwerkende orgaan
in dieren.
De jongere wordt geslachtsrijp tijdens adolescentie; (kinderlichaam => volwassen lichaam); Deze
verandering wordt hormonaal gestuurd door 3 neuro-endocriene systemen:
1. HPA-as (‘Hypothalamus-Pituitary-Adrenal axis’) = Hypothalamus, hypofyse werken samen
met de bijnieren
o Rijping in deze as start al in de eerste helft van de lagere school: in het begin nog geen
zichtbare uiterlijke kenmerken
2. HPG-as (‘Hypothalamus-Pituitary-Gonads axis’) = Hypothalamus, hypofyse werken samen
met de geslachtsklieren/gonaden (=eierstokken en teelballen)
o Start pubertaire ontwikkeling: zichtbare uiterlijke veranderingen = uitgroei van
inwendige en uitwendige geslachtsorganen;
• Jongens: eerste zaadlozing, baardgroei
• Meisjes: menstruatie
• Aansturing door HPA-as: okselhaar, schaamhaar, toename zweetsecretie
o Bij meisjes doorgaans in de laatste jaren van de lagere school, bij jongens 1 of 2 jaar later
, 3. Groeihormoonas
o Verantwoordelijk voor groei van botten (pubertaire groeispurt) en toename
spierweefsel en vetweefsel
Onder invloed van deze hormonale processen verandert het uiterlijk van een adolescent ingrijpend.
- Groeispurt:
o Gemiddeld 2 jaar eerder bij meisjes dan bij jongens
o Eerst de ledematen dan de romp (‘slungelachtig’)
- Veranderende lichaamsproporties
o Meisjes: bredere heupen en meer vetweefsel dan spierweefsel
o Jongens: brede schouders en meer spierweefsel dan vetweefsel
o De volgorde van puberale veranderingen is hetzelfde maar de timing is anders binnen en
tussen groepen. Die variatie hangt samen met verschillen in welbevinden en sociale
identiteit.
Vroegrijpe meisjes: meer depressieve symptomen en eetstoornissen
o Snelle hormonale veranderingen die gemoedsleven overhoophaalt
o Veranderende uiterlijk brengt sociale verwachtingen met zich mee waar het
meisje nog niet klaar voor is of ontevredenheid met het lichaam
meebrengen (tijdelijk zwaarder – wat gevoel kan geven van af te wijken van
de norm)
Vroegrijpe jongens: positiever zelfbeeld, hogere zelfwaardering en
populairder
o Een vroegrijp lichaam oogt krachtiger en atletischer
o Fysieke uithoudingsvermogen neemt toe met toenemend longvolume en
meer rode bloedcellen
o Ook meer deviant gedrag zoals vandalisme, agressie en externaliserende
problemen
In de adolescentie ontwikkelen ook de hersenen volop. Puberteitshormonen brengen verandering in de
structuur van en de communicatie tussenhersengebieden:
- In eerste instantie zijn er ontwikkelingen in de hersengebieden die een rol spelen bij emotie,
motivatie en sociale interesse
o Amygdala; verhoogde emotionaliteit, meer risicogedrag en toegenomen sensitiviteit voor
sociale prikkels
- De hersengebieden die instaan voor cognitieve controle
, o Dit gebeurt trager dan het eerste proces waardoor, tijdelijk onevenwicht => risicogedrag
ontstaat: toegenomen neiging om risico’s te nemen zonder de gevolgen van die risico’s in
te schatten
- Ook veranderingen in de manier waarop het brein slaap reguleert
o Latere afgifte van melatonine: het circadiaans ritme (lichaamsklok) schuift tot 2u op =>
kortere slaapduur
o Ook is er in de adolescentie een groter engagement in avondlijke activiteiten en is
digitale media constant beschikbaar
o Toch hebben adolescenten een even grote slaapnood als lagereschoolkinderen,
waardoor ze geregeld kampen met oververmoeidheid wat schoolse prestaties kan
beïnvloeden.
2.2 Cognitieve ontwikkeling
In de adolescentie is er verdere ontwikkeling in zowat alle cognitieve functies:
- Werkgeheugen = neemt in omvang toe, kan meer informatie tegelijkertijd vastgehouden en
gemanipuleerd worden => Cognitieve complexe operaties worden zo mogelijk
o Irrelevantie info kan worden genegeerd en automatische responsen kunnen worden
onderdrukt
o Aandacht wordt selectiever en flexibeler
o Toegenomen planningsvaardigheden
- Metacognitieve vaardigheden = begrijpen van eigen cognitief functioneren, leerproces
monitoren, inschatten wat ze nog niet beheersen, welke inspanning hiervoor nodig.
o Zich een mening kunnen over abstracte begrippen (zoals vrede, verdraagzaamheid)
o Actief deelnemen aan debatten
o Wetenschappelijk redeneren; logisch redeneren; hypothesen formuleren
Door ingrijpende psychologische en lichamelijke veranderingen in combinatie met toegenomen
metacognitieve vaardigheden maakt dan adolescenten meer met zichzelf bezig zijn, wat kan leiden tot
cognitieve vertekeningen.
- Imaginair publiek: het idee hebben in het middelpunt van de belangstelling te staan bij anderen
waardoor ze extreem veel bezig zijn met hoe ze eruitzien en gevoelig zijn voor kritiek
- Persoonlijke fabel: de overtuiging dat anderen continu met hen bezig zijn leidt tot een
overdreven gevoel van belangrijkheid, het gevoel van overtuiging over de eigen uniciteit en
bijzonderheid en de overtuiging dat net daardoor anderen moeilijk kunnen begrijpen wat zij
meemaken
o Dit kan leiden tot onnodige risico’s omdat ze ervan uitgaan dat wat anderen overkomt
hen niet zal overkomen. (vb. ongeval krijgen)
2.3 Ontwikkeling van zelfbeeld, zelfwaardering en identiteit
ZELFBEELD = hoe iemand zichzelf ziet, de kenmerken die iemand aan zichzelf toeschrijft
- In de vroege kindertijd: enkel kenmerken die direct observeerbaar zijn;
- Naarmate kinderen ouder worden concrete en direct observeerbare kenmerken steeds meer
gecombineerd tot abstracte zelfrepresentaties. (Ik ben slim, ik werk snel,)
- In de adolescentie worden zelfrepresentaties nog abstracter en weerspiegelen ze persoonlijke
overtuigingen, motieven en ambities. Het zelfbeeld wordt gedifferentieerder.
ZELFWAARDERING = hoe iemand zichzelf evalueert, de mate waarin iemand tevreden is over de
kenmerken die hij of zij zichzelf toeschrijft.
- ‘Globale zelfwaardering’ = een omvattender gevoel van eigenwaarde over domeinen heen (niet
som van de zelfwaardering op verschillende domeinen; sommige domeinen zwaarder kunnen
doorwegen voor jongere)
- Zelfwaardering in de kindertijd is vooral gebaseerd op sociale vergelijking, maar in de
adolescentie spelen interne standaarden een steeds grotere rol. Hierdoor wordt zelfwaardering
ook stabieler.
, - ‘Contingente zelfwaardering’ = wanneer zelfwaardering te sterk afhangt van externe factoren
(bijv. goedkeuring van anderen), dan fluctueert die zelfwaardering mee wanneer externe factoren
veranderen => risicofactor voor emotionele en gedragsproblemen.
IDENTITEIT = hoe iemand zichzelf definieert en is gerelateerd aan belangrijke levenskeuzes die men
maakt, aan sociale rollen die men zich toe-eigent en aan hoe men zich aan de buitenwereld
presenteert.
- Belangrijk tijdens adolescentie identiteitsontwikkeling (Erikson 1968); wie ben ik, wie wil ik in
toekomst zijn?
Erikson (1963) & Marcia (1966) – 4 statussen in identiteitsontwikkeling:
De statussen staan voor verschillende manieren om te gaan met het identiteitsvraagstuk gebaseerd op
2 verschillende identiteitsprocessen:
- Exploratie: actief experimenteren met verschillende keuzen en bewust kiezen tussen
verschillende alternatieven vs. binding: zich met een bepaalde keuze verbinden
1. Achievement-status = jongeren hebben zich met bepaalde identiteit verbonden na periode
van actieve exploratie en uitproberen van verschillende alternatieven
2. Foreclosure-status = er is een binding tot stand gekomen maar zonder voorafgaand
onderzoek naar verschillende alternatieven
3. Moratorium-status = aanwezigheid van een actieve zoektocht, exploreren van verschillende
mogelijkheden, zonder dat er al een binding tot stand is gekomen
4. Diffusion-status = gebrek aan zowel exploratie als binding (geen interesse of angst)
- Identiteitsontwikkeling kent verschillende mogelijke trajecten. Sommigen blijven in 1 status,
terwijl anderen statustransities ondergaan.
- Meestal gaat de ontwikkeling van een minder volwassen naar een meer volwassen identiteit,
maar het is ook mogelijk dat er sprake is van een periode van tijdelijke terugval.
Luyckx et al (2005) – Uitbreiding van het model van Marcia:
- Uitbreiding van het concept exploratie en binding naar:
o ‘Exploratie in de breedte’: het breed verkennen van alternatieve opties (hierna maken
van expliciete keuzes of bindingen kan het opnieuw gevolgd worden door nieuwe
exploratiefase (in de diepte))
o ‘Maken van bindingen’
o ‘Exploratie in de diepte’: extra informatie verzamelen over de gemaakte keuze om die te
kunnen evalueren
o ‘Identificeren met bindingen’: tevreden is over de gemaakte keuzes
2.4 Relationele ontwikkeling
Jongeren gaan zich in de adolescentie sterker oriënteren op leeftijdsgenoten en brengen minder tijd door
met hun ouders. Ze streven naar meer autonomie, waardoor de aard van interacties veranderen.
Verschillende factoren zorgen ervoor dat adolescenten meer afstand nemen van hun ouders:
- Verlangen naar privacy en intimiteit door fysieke veranderingen en ontluikende seksualiteit
(meer terughoudendheid tegenover huisgenoten)
- Door cognitieve ontwikkeling ontstaat een beeld van ‘het mogelijke’ of ‘het ideale’ waardoor
adolescenten erg kritisch kunnen worden tegenover gangbare gewoontes in het gezin (vb
huisafspraken tov persoonlijke vrijheid; van hiërarchische, verticale relatie naar gelijkwaardige
horizontale relatie (controle en structuur naar wederzijdse communicatie en gezamenlijke
beslissingen)
- Relaties met leeftijdsgenoten (‘peers’) worden steeds belangrijker – uitbouw van kwalitatieve
relaties met leeftijdsgenoten
o Dyadische peerervaringen: wederzijdse vriendschappen
o Peerervaringen op groepsniveau: peerstatus
Hoofdstuk 4: Het verloop en het beheer van het klasgebeuren (Patricia Bijttebier,
Greet Gevaert, Kris Van den Branden en Jan Elen)
Kernwoorden: adolescentie, groepsvorming, hersenen, identiteit, klasmanagement, klasgebeuren,
ontwikkeling, schooltaal, taalbeleid
1. Inleiding
Onderwijzen is een complexe aangelegenheid waarin leraren en leerlingen samen inspanningen leveren
om doelgericht leren tot stand te brengen.
- Onderwijzen gebeurt steeds ergens, verloopt in een specifieke taal, op een bepaald moment, met
specifieke leerlingen, in een specifieke klasgroep, binnen een specifiek lokaal, op een school met
eigen infrastructuur, regels en gebruiken.
Deze elementen geven vorm aan een pedagogisch-didactisch handelen van leraren en ook aan gedrag
van leerlingen in de klas. Ze oefenen invloed uit op klasgebeuren en beïnvloeden elkaar.
In dit hoofdstuk bespreken we 3 zaken die invloed uitoefenen:
- Leerling: vanuit een ontwikkelingspsychologisch perspectief
- Klas als groep: groepsdynamiek
- ‘Medium of construction’: invloed van taal en specifieke vormen van taalgebruik op
klasgebeuren
2. Leerlingen als adolescenten: een ontwikkelingspsychologisch perspectief
ADOLESCENTIE = ontwikkelingsfase die begint met de puberteit en eindigt met de (jong)
volwassenheid. Deze periode valt grotendeels samen met de tijd die lln. in secundair onderwijs
doorbrengen. (Verhulst 2021)
ONTWIKKELING = een proces van geleidelijke verandering, groei en verbetering, waarbij iets zich
ontvouwt van een beginstadium naar een meer complex, functioneel of volwassen niveau. Door
veranderingen in hersenen en hormonale processen gebeurt dit voor adolescenten op lichamelijk
vlak, cognitief vlak, zelfbeleving en relaties met anderen.
2.1 Lichamelijke ontwikkeling
HERSENEN = vormen het deel van het centrale zenuwstelstel dat zich in het hoofd bevindt. De
hersenen vormen het waarnemende, aansturende, controlerende en informatieverwerkende orgaan
in dieren.
De jongere wordt geslachtsrijp tijdens adolescentie; (kinderlichaam => volwassen lichaam); Deze
verandering wordt hormonaal gestuurd door 3 neuro-endocriene systemen:
1. HPA-as (‘Hypothalamus-Pituitary-Adrenal axis’) = Hypothalamus, hypofyse werken samen
met de bijnieren
o Rijping in deze as start al in de eerste helft van de lagere school: in het begin nog geen
zichtbare uiterlijke kenmerken
2. HPG-as (‘Hypothalamus-Pituitary-Gonads axis’) = Hypothalamus, hypofyse werken samen
met de geslachtsklieren/gonaden (=eierstokken en teelballen)
o Start pubertaire ontwikkeling: zichtbare uiterlijke veranderingen = uitgroei van
inwendige en uitwendige geslachtsorganen;
• Jongens: eerste zaadlozing, baardgroei
• Meisjes: menstruatie
• Aansturing door HPA-as: okselhaar, schaamhaar, toename zweetsecretie
o Bij meisjes doorgaans in de laatste jaren van de lagere school, bij jongens 1 of 2 jaar later
, 3. Groeihormoonas
o Verantwoordelijk voor groei van botten (pubertaire groeispurt) en toename
spierweefsel en vetweefsel
Onder invloed van deze hormonale processen verandert het uiterlijk van een adolescent ingrijpend.
- Groeispurt:
o Gemiddeld 2 jaar eerder bij meisjes dan bij jongens
o Eerst de ledematen dan de romp (‘slungelachtig’)
- Veranderende lichaamsproporties
o Meisjes: bredere heupen en meer vetweefsel dan spierweefsel
o Jongens: brede schouders en meer spierweefsel dan vetweefsel
o De volgorde van puberale veranderingen is hetzelfde maar de timing is anders binnen en
tussen groepen. Die variatie hangt samen met verschillen in welbevinden en sociale
identiteit.
Vroegrijpe meisjes: meer depressieve symptomen en eetstoornissen
o Snelle hormonale veranderingen die gemoedsleven overhoophaalt
o Veranderende uiterlijk brengt sociale verwachtingen met zich mee waar het
meisje nog niet klaar voor is of ontevredenheid met het lichaam
meebrengen (tijdelijk zwaarder – wat gevoel kan geven van af te wijken van
de norm)
Vroegrijpe jongens: positiever zelfbeeld, hogere zelfwaardering en
populairder
o Een vroegrijp lichaam oogt krachtiger en atletischer
o Fysieke uithoudingsvermogen neemt toe met toenemend longvolume en
meer rode bloedcellen
o Ook meer deviant gedrag zoals vandalisme, agressie en externaliserende
problemen
In de adolescentie ontwikkelen ook de hersenen volop. Puberteitshormonen brengen verandering in de
structuur van en de communicatie tussenhersengebieden:
- In eerste instantie zijn er ontwikkelingen in de hersengebieden die een rol spelen bij emotie,
motivatie en sociale interesse
o Amygdala; verhoogde emotionaliteit, meer risicogedrag en toegenomen sensitiviteit voor
sociale prikkels
- De hersengebieden die instaan voor cognitieve controle
, o Dit gebeurt trager dan het eerste proces waardoor, tijdelijk onevenwicht => risicogedrag
ontstaat: toegenomen neiging om risico’s te nemen zonder de gevolgen van die risico’s in
te schatten
- Ook veranderingen in de manier waarop het brein slaap reguleert
o Latere afgifte van melatonine: het circadiaans ritme (lichaamsklok) schuift tot 2u op =>
kortere slaapduur
o Ook is er in de adolescentie een groter engagement in avondlijke activiteiten en is
digitale media constant beschikbaar
o Toch hebben adolescenten een even grote slaapnood als lagereschoolkinderen,
waardoor ze geregeld kampen met oververmoeidheid wat schoolse prestaties kan
beïnvloeden.
2.2 Cognitieve ontwikkeling
In de adolescentie is er verdere ontwikkeling in zowat alle cognitieve functies:
- Werkgeheugen = neemt in omvang toe, kan meer informatie tegelijkertijd vastgehouden en
gemanipuleerd worden => Cognitieve complexe operaties worden zo mogelijk
o Irrelevantie info kan worden genegeerd en automatische responsen kunnen worden
onderdrukt
o Aandacht wordt selectiever en flexibeler
o Toegenomen planningsvaardigheden
- Metacognitieve vaardigheden = begrijpen van eigen cognitief functioneren, leerproces
monitoren, inschatten wat ze nog niet beheersen, welke inspanning hiervoor nodig.
o Zich een mening kunnen over abstracte begrippen (zoals vrede, verdraagzaamheid)
o Actief deelnemen aan debatten
o Wetenschappelijk redeneren; logisch redeneren; hypothesen formuleren
Door ingrijpende psychologische en lichamelijke veranderingen in combinatie met toegenomen
metacognitieve vaardigheden maakt dan adolescenten meer met zichzelf bezig zijn, wat kan leiden tot
cognitieve vertekeningen.
- Imaginair publiek: het idee hebben in het middelpunt van de belangstelling te staan bij anderen
waardoor ze extreem veel bezig zijn met hoe ze eruitzien en gevoelig zijn voor kritiek
- Persoonlijke fabel: de overtuiging dat anderen continu met hen bezig zijn leidt tot een
overdreven gevoel van belangrijkheid, het gevoel van overtuiging over de eigen uniciteit en
bijzonderheid en de overtuiging dat net daardoor anderen moeilijk kunnen begrijpen wat zij
meemaken
o Dit kan leiden tot onnodige risico’s omdat ze ervan uitgaan dat wat anderen overkomt
hen niet zal overkomen. (vb. ongeval krijgen)
2.3 Ontwikkeling van zelfbeeld, zelfwaardering en identiteit
ZELFBEELD = hoe iemand zichzelf ziet, de kenmerken die iemand aan zichzelf toeschrijft
- In de vroege kindertijd: enkel kenmerken die direct observeerbaar zijn;
- Naarmate kinderen ouder worden concrete en direct observeerbare kenmerken steeds meer
gecombineerd tot abstracte zelfrepresentaties. (Ik ben slim, ik werk snel,)
- In de adolescentie worden zelfrepresentaties nog abstracter en weerspiegelen ze persoonlijke
overtuigingen, motieven en ambities. Het zelfbeeld wordt gedifferentieerder.
ZELFWAARDERING = hoe iemand zichzelf evalueert, de mate waarin iemand tevreden is over de
kenmerken die hij of zij zichzelf toeschrijft.
- ‘Globale zelfwaardering’ = een omvattender gevoel van eigenwaarde over domeinen heen (niet
som van de zelfwaardering op verschillende domeinen; sommige domeinen zwaarder kunnen
doorwegen voor jongere)
- Zelfwaardering in de kindertijd is vooral gebaseerd op sociale vergelijking, maar in de
adolescentie spelen interne standaarden een steeds grotere rol. Hierdoor wordt zelfwaardering
ook stabieler.
, - ‘Contingente zelfwaardering’ = wanneer zelfwaardering te sterk afhangt van externe factoren
(bijv. goedkeuring van anderen), dan fluctueert die zelfwaardering mee wanneer externe factoren
veranderen => risicofactor voor emotionele en gedragsproblemen.
IDENTITEIT = hoe iemand zichzelf definieert en is gerelateerd aan belangrijke levenskeuzes die men
maakt, aan sociale rollen die men zich toe-eigent en aan hoe men zich aan de buitenwereld
presenteert.
- Belangrijk tijdens adolescentie identiteitsontwikkeling (Erikson 1968); wie ben ik, wie wil ik in
toekomst zijn?
Erikson (1963) & Marcia (1966) – 4 statussen in identiteitsontwikkeling:
De statussen staan voor verschillende manieren om te gaan met het identiteitsvraagstuk gebaseerd op
2 verschillende identiteitsprocessen:
- Exploratie: actief experimenteren met verschillende keuzen en bewust kiezen tussen
verschillende alternatieven vs. binding: zich met een bepaalde keuze verbinden
1. Achievement-status = jongeren hebben zich met bepaalde identiteit verbonden na periode
van actieve exploratie en uitproberen van verschillende alternatieven
2. Foreclosure-status = er is een binding tot stand gekomen maar zonder voorafgaand
onderzoek naar verschillende alternatieven
3. Moratorium-status = aanwezigheid van een actieve zoektocht, exploreren van verschillende
mogelijkheden, zonder dat er al een binding tot stand is gekomen
4. Diffusion-status = gebrek aan zowel exploratie als binding (geen interesse of angst)
- Identiteitsontwikkeling kent verschillende mogelijke trajecten. Sommigen blijven in 1 status,
terwijl anderen statustransities ondergaan.
- Meestal gaat de ontwikkeling van een minder volwassen naar een meer volwassen identiteit,
maar het is ook mogelijk dat er sprake is van een periode van tijdelijke terugval.
Luyckx et al (2005) – Uitbreiding van het model van Marcia:
- Uitbreiding van het concept exploratie en binding naar:
o ‘Exploratie in de breedte’: het breed verkennen van alternatieve opties (hierna maken
van expliciete keuzes of bindingen kan het opnieuw gevolgd worden door nieuwe
exploratiefase (in de diepte))
o ‘Maken van bindingen’
o ‘Exploratie in de diepte’: extra informatie verzamelen over de gemaakte keuze om die te
kunnen evalueren
o ‘Identificeren met bindingen’: tevreden is over de gemaakte keuzes
2.4 Relationele ontwikkeling
Jongeren gaan zich in de adolescentie sterker oriënteren op leeftijdsgenoten en brengen minder tijd door
met hun ouders. Ze streven naar meer autonomie, waardoor de aard van interacties veranderen.
Verschillende factoren zorgen ervoor dat adolescenten meer afstand nemen van hun ouders:
- Verlangen naar privacy en intimiteit door fysieke veranderingen en ontluikende seksualiteit
(meer terughoudendheid tegenover huisgenoten)
- Door cognitieve ontwikkeling ontstaat een beeld van ‘het mogelijke’ of ‘het ideale’ waardoor
adolescenten erg kritisch kunnen worden tegenover gangbare gewoontes in het gezin (vb
huisafspraken tov persoonlijke vrijheid; van hiërarchische, verticale relatie naar gelijkwaardige
horizontale relatie (controle en structuur naar wederzijdse communicatie en gezamenlijke
beslissingen)
- Relaties met leeftijdsgenoten (‘peers’) worden steeds belangrijker – uitbouw van kwalitatieve
relaties met leeftijdsgenoten
o Dyadische peerervaringen: wederzijdse vriendschappen
o Peerervaringen op groepsniveau: peerstatus