Hoofdstuk 2 De overheid ruilt over de tijd
Paragraaf 1 Inkomsten en uitgaven van de overheid
Collectieve sector: de overheid en sociale zekerheidsinstellingen.
Rijksbegroting: overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Opgesteld door ministerie van Financiën
Miljoenennota: de toelichting op de rijksbegroting.
Beschrijving van manier waarop geld uitgegeven wordt.
Belangrijkste inkomstenbron overheid: belastingen.
Directe belastingen: belasting over winst, inkomen en vermogen die direct aan overheid worden
afgedragen.
Bijv. inkomstenbelasting, winstbelasting.
Indirecte belastingen: kostprijsverhogende belastingen die via de aankoop van producten en
diensten indirect aan de overheid worden afgedragen.
Ze maken de prijs voor consumenten hoger.
Twee vormen indirecte belasting:
Btw (belasting op toegevoegde waarde)/omzetbelasting.
Iedereen die iets koopt betaald prijs die gebaseerd is op toegevoegde waarde.
Accijnzen.
Wordt geheven over bepaalde consumptiegoederen zoals sigaretten, benzine, alcohol.
Overheid gebruikt belasting om consumentengedrag te beïnvloeden.
Niet-belastingontvangsten:
Aardgasbaten;
Opbrengsten uit staatsdeelnemingen;
Retributies;
Heffingen (boetes).
Sociale premies: premies die geheven worden in verband met sociale verzekeringen.
Worden gebruikt door uitvoerende instanties uit collectieve sector die mensen van uitkering
voorzien.
Bijv. Sociale Verzekeringsbank, Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
Iedere Nederlander met inkomen staat deel van inkomen af in vorm van premies.
Premies volksverzekeringen: financiering AOW.
Premies werknemersverzekeringen: uitkering voor werklozen en arbeidsongeschikten.
Begrotingssaldo: het verschil tussen inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Begrotingsoverschot: inkomsten > uitgaven.
Ruimte voor nieuwe uitgaven of aflossing op overheidsschuld.
Begrotingstekort: inkomsten < uitgaven.
Meestal het geval.
Overheid moet geld lenen door uitgeven van staatsobligaties.
Worden gekocht door financiële instellingen.
Staatsobligatiehouder krijgt vaste rente per jaar voor uitgeleende bedrag.
, Looptijd bepaalt wanneer het wordt terugbetaald.
Staatsschuld: de schuld van de rijksoverheid die op een bepaald tijdstip wordt gemeten.
Wordt groter als overheid begroting niet aanpast en blijft lenen.
Regering lost af op staatsschuld.
Overheidsschuld: de staatsschuld plus de schulden van lagere overheden en sociale
verzekeringsinstellingen.
Voorraadgrootheden.
Toename staatsschuld/financieringssaldo: begrotingstekort – aflossingen.
Financieringstekort of –overschot.
Publieke schuld: een schuld van de overheid.
Private schuld: een schuld van een bedrijf of een gezin.
Overheidstekort/begrotingstekort wordt gezien als vorm van uitgestelde belastingheffing omdat de
overheid via belastingen aan geld komt om rente en aflossingen van leningen te betalen.
Overheid vult tekort aan door belastingheffing.
Slechte economie: minder belastingheffing om koopkracht te stimuleren.
Begrotingstekort en staatsschuld op laten lopen.
Goede economie: overschot op begroting creëren om staatschuld terug te dringen.
Stabiliteits- en groeipact: eisen waaraan eurolanden en toetredende landen moeten voldoen om de
stabiliteit van de euro te garanderen.
1997
Voorkomen dat de geldhoeveelheid in een land te veel toeneemt door collectieve sector die veel
leent en weinig bezuinigt.
Belangrijkste eisen:
Begrotingstekort mag niet hoger zijn dan 3% van bbp.
Staatsschuld moet lager zijn dan 60% van bbp of duidelijke daling in die richting vertonen.
Staatsschuldquote: de staatsschuld als percentage van het bbp.
Bestedingen in land kunnen productiecapaciteit overstijgen met inflatie tot gevolg. Ook kunnen
overheden rentepeil beïnvloeden aan vraagkant op kapitaalmarkt.
Als je je niet houdt aan stabiliteitspact heeft dit financiële consequentie:
Boete van max. 0,2% van bbp.
2015: stabiliteitspact versoepeld omdat landen zich tijdens economische crisis niet aan afspraken
konden houden.
Er is ruimte voor extra overheidsbestedingen om financiën op lange termijn weer op orde te
krijgen.
Begrotingsbeleid: het beleid van de regering om via de inkomsten- en uitgavenkant van de
rijksbegroting invloed uit te oefenen op de economie.
Paragraaf 2 Sociale zekerheid
Nederland is een verzorgingsstaat die inkomsten gebruikt om bestaansminimum te financieren.
Sociale zekerheid is belangrijke uitgavenpost overheid.
Paragraaf 1 Inkomsten en uitgaven van de overheid
Collectieve sector: de overheid en sociale zekerheidsinstellingen.
Rijksbegroting: overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Opgesteld door ministerie van Financiën
Miljoenennota: de toelichting op de rijksbegroting.
Beschrijving van manier waarop geld uitgegeven wordt.
Belangrijkste inkomstenbron overheid: belastingen.
Directe belastingen: belasting over winst, inkomen en vermogen die direct aan overheid worden
afgedragen.
Bijv. inkomstenbelasting, winstbelasting.
Indirecte belastingen: kostprijsverhogende belastingen die via de aankoop van producten en
diensten indirect aan de overheid worden afgedragen.
Ze maken de prijs voor consumenten hoger.
Twee vormen indirecte belasting:
Btw (belasting op toegevoegde waarde)/omzetbelasting.
Iedereen die iets koopt betaald prijs die gebaseerd is op toegevoegde waarde.
Accijnzen.
Wordt geheven over bepaalde consumptiegoederen zoals sigaretten, benzine, alcohol.
Overheid gebruikt belasting om consumentengedrag te beïnvloeden.
Niet-belastingontvangsten:
Aardgasbaten;
Opbrengsten uit staatsdeelnemingen;
Retributies;
Heffingen (boetes).
Sociale premies: premies die geheven worden in verband met sociale verzekeringen.
Worden gebruikt door uitvoerende instanties uit collectieve sector die mensen van uitkering
voorzien.
Bijv. Sociale Verzekeringsbank, Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
Iedere Nederlander met inkomen staat deel van inkomen af in vorm van premies.
Premies volksverzekeringen: financiering AOW.
Premies werknemersverzekeringen: uitkering voor werklozen en arbeidsongeschikten.
Begrotingssaldo: het verschil tussen inkomsten en uitgaven van de rijksoverheid.
Begrotingsoverschot: inkomsten > uitgaven.
Ruimte voor nieuwe uitgaven of aflossing op overheidsschuld.
Begrotingstekort: inkomsten < uitgaven.
Meestal het geval.
Overheid moet geld lenen door uitgeven van staatsobligaties.
Worden gekocht door financiële instellingen.
Staatsobligatiehouder krijgt vaste rente per jaar voor uitgeleende bedrag.
, Looptijd bepaalt wanneer het wordt terugbetaald.
Staatsschuld: de schuld van de rijksoverheid die op een bepaald tijdstip wordt gemeten.
Wordt groter als overheid begroting niet aanpast en blijft lenen.
Regering lost af op staatsschuld.
Overheidsschuld: de staatsschuld plus de schulden van lagere overheden en sociale
verzekeringsinstellingen.
Voorraadgrootheden.
Toename staatsschuld/financieringssaldo: begrotingstekort – aflossingen.
Financieringstekort of –overschot.
Publieke schuld: een schuld van de overheid.
Private schuld: een schuld van een bedrijf of een gezin.
Overheidstekort/begrotingstekort wordt gezien als vorm van uitgestelde belastingheffing omdat de
overheid via belastingen aan geld komt om rente en aflossingen van leningen te betalen.
Overheid vult tekort aan door belastingheffing.
Slechte economie: minder belastingheffing om koopkracht te stimuleren.
Begrotingstekort en staatsschuld op laten lopen.
Goede economie: overschot op begroting creëren om staatschuld terug te dringen.
Stabiliteits- en groeipact: eisen waaraan eurolanden en toetredende landen moeten voldoen om de
stabiliteit van de euro te garanderen.
1997
Voorkomen dat de geldhoeveelheid in een land te veel toeneemt door collectieve sector die veel
leent en weinig bezuinigt.
Belangrijkste eisen:
Begrotingstekort mag niet hoger zijn dan 3% van bbp.
Staatsschuld moet lager zijn dan 60% van bbp of duidelijke daling in die richting vertonen.
Staatsschuldquote: de staatsschuld als percentage van het bbp.
Bestedingen in land kunnen productiecapaciteit overstijgen met inflatie tot gevolg. Ook kunnen
overheden rentepeil beïnvloeden aan vraagkant op kapitaalmarkt.
Als je je niet houdt aan stabiliteitspact heeft dit financiële consequentie:
Boete van max. 0,2% van bbp.
2015: stabiliteitspact versoepeld omdat landen zich tijdens economische crisis niet aan afspraken
konden houden.
Er is ruimte voor extra overheidsbestedingen om financiën op lange termijn weer op orde te
krijgen.
Begrotingsbeleid: het beleid van de regering om via de inkomsten- en uitgavenkant van de
rijksbegroting invloed uit te oefenen op de economie.
Paragraaf 2 Sociale zekerheid
Nederland is een verzorgingsstaat die inkomsten gebruikt om bestaansminimum te financieren.
Sociale zekerheid is belangrijke uitgavenpost overheid.