Week 1: Inleiding en het Romeinse recht
Verplichte literatuur
1) De inleiding en hoofdstuk 1 van Herzog 2018, p. 1-33.
2) Het hoofdstuk ‘Historische ontwikkeling’ van Burkens 2022, p. 11-36.
3) T. Honoré, Ulpian. Pioneer of human rights (2nd edition), Oxford: Oxford University
Press 2002, p. 84-89 (hierna: Honoré 2002).
In de inleiding van haar boek (p. 1-10) legt Herzog uit hoe zij de Europese rechtsgeschiedenis
benadert. Een cruciaal aspect daarvan is het in context plaatsen van historische documenten:
een bron dient te worden geïnterpreteerd in de historische context waarin deze is ontstaan en
gebruikt.
In hoofdstuk 1 (p. 13-33) beschrijft Herzog vervolgens de ontwikkeling van het recht in de
Romeinse Oudheid, een lange periode van ongeveer 500 voor Christus (de stichting van de
Romeinse republiek) tot aan ongeveer 500 na Christus (de val van het West-Romeinse rijk).
Waarom zij haar werk aanvangt in juist deze periode licht zij toe in de inleiding.
Het Romeinse recht ontstaat in de loop van de Romeinse republiek, met als belangrijke
scheppende instantie de ‘praetor’. Waar in het moderne recht de wet de voornaamste
rechtsbron is, wordt het Romeinse recht gekenmerkt door een veelheid aan rechtscheppende
instanties. Naast de praetor zijn de belangrijkste twee de juristen en de keizer. Hoe deze drie
instanties zich tot elkaar verhouden staat deze week centraal, niet alleen in de inhoudelijke
vragen maar ook in de bronnenanalyse.
In de zesde eeuw na Christus wordt het recht van de Romeinse keizers en juristen verzameld
in opdracht van de Oost-Romeinse keizer Justinianus. Deze verzameling, die in de
Middeleeuwen aangeduid gaat worden als het ‘Geheel van voor burgers geldende recht’
(Corpus Iuris Civilis), is de vorm waarin het Romeinse recht aan ons is overgeleverd. In latere
weken zal blijken hoe belangrijk deze verzameling is geweest voor de ontwikkeling van het
recht in Europa.
Vragen over Herzog
TH, Inleiding (p. 1-12) en hoofdstuk 1 (p. 13-33)
(1) In de inleiding van haar boek legt Tamar Herzog uit dat zij kritiek levert op
‘twee grote verhalen’ over de Europese rechtsgeschiedenis (p. 4). Om welke
verhalen gaat het en welke kritiek heeft zij daarop?
Het gaat hier om het verhaal dat (1) het recht een gegeven is en (2) het Engelse
common law en het continentaal-Europees civil law niet aan elkaar zijn gerelateerd.
(1) Het eerste verhaal gaat over ‘het recht als gegeven’. Dit houdt in dat het recht
normen omvat dit mensen gewoon naleven. Waar deze normen vandaan komen,
hoe ze worden begrepen is niet van belang.
Volgens Herzog is het recht het resultaat van een constante ontwikkeling. Het is
steeds in beweging. Het verhaal dat het recht gegeven is, is volgens haar dus niet
, waar. Het recht is altijd onder invloed van politieke, religieuze en sociaal-culturele
achtergronden.
(2) Het tweede verhaal gaat over het uitgangspunt dat het Engelse common law en het
continentaal Europese civil law (ius commune) niet zijn gerelateerd. Het zijn twee
verschillende rechtssystemen die verschillend benaderd moeten worden.
Volgens Herzog is er wel degelijk een relatie tussen de rechtsstelsels. Ze hebben
namelijk dezelfde oorsprong; het Romeinse recht. Ze mogen dus niet volledig
verschillend benaderd worden.
(2) In hoofdstuk 1 beschrijft Herzog hoe het Romeinse formula-proces leidde tot
belangrijke innovaties in het recht. Beschrijf dit proces in eigen woorden en leg
uit hoe het bijdroeg aan de ontwikkeling van het Romeinse recht. Betrek in je
antwoord de begrippen ‘praetor’, ‘iudex’, ‘formula’, ‘actie’ en ‘edict’.
Het formula-proces houdt in dat er een tweedeling werd gemaakt in de rechtspraak.
(1) De praetor (magistraat; ambtenaar die als hoogste beslissingen kan nemen, niet
religieus) kan toegang verlenen tot de rechter door acties (rechtsmiddelen; soort
toegangsticket naar de rechter) te verlenen.
(2) Vervolgens beslist de iudex (de rechter) inhoudelijk over het geschil. De uitspraak
legt hij vervolgens vast in een edict. Edicten worden gepubliceerd en functioneert
als jurisprudentie, Dit werd dus ook een bron van recht.
Hieruit ontstonden de juristen die werden gekozen door de praetor. Deze juristen zijn
ter ondersteuning voor complexe vraagstukken. De formulas werden namelijk
ingewikkeld. Het waren gewoon mensen met aanzien, Op gegeven moment waren de
juristenadviezen ook een bron van recht. Dit werden uiteindelijk digesten.
De praetor kan rechtsmiddelen verlenen. De praetor stelt een formula op en verleent
hiermee een rechtsmiddel (actie), bijv. diefstal. Voor hetgeen wat nog niet bestond kon
de praetor nieuwe formulas creëren en hiermee als het ware nieuw recht scheppen.
Vragen over bronnen
Deze week lezen we drie primaire bronnen van de Romein Domitius Ulpianus en een
secundaire tekst van de rechtshistoricus Tony Honoré (2002, p. 84-89). Hoe dacht een
prominente Romeinse jurist als Ulpianus zelf over het Romeinse recht en de rechtsstaat en
hoe moeten we zijn uitspraken volgens Honoré historisch en juridisch opvatten en plaatsen?
Hieronder staan drie in het Nederlands vertaalde teksten uit de Romeinse Oudheid:
Ulpianus, Instituten I zoals afkomstig uit Digesten 1,1,4: Ook vrijlatingen behoren tot
het ius gentium. Vrijlating, manumissio, komt van missio (laten gaan) uit de manus (hand),
d.w.z. verlening van vrijheid. Zolang iemand in slavernij verkeert, is hij namelijk
onderworpen aan andermans macht en heerschappij; bij zijn vrijlating wordt hij van die
heerschappij bevrijd. Dit instituut vindt zijn oorsprong in het ius gentium, omdat naar
natuurrecht allen uiteraard vrij geboren worden en toen de slavernij onbekend was, ook de
vrijlating niet bekend was. Maar nadat door het ius gentium de slavernij ingang had
gevonden, is de gunst van de vrijlating gevolgd. En hoewel wij oorspronkelijk met de
gemeenschappelijke natuurlijke benaming ‘mensen’ werden aangeduid, ontstonden er naar
1
, ius gentium drie soorten: vrijen, daarmede in tegenstelling slaven, en, als derde soort,
vrijgelatenen, d.w.z. zij de opgehouden hadden slaaf te zijn (vert. Spruit c.s.).
Ulpianus Commentaar op de wetten van Augustus en Papius zoals afkomstig uit
Digesten 1,3,31: De keizer is niet gebonden aan de wetten. Hoewel de keizerin aan de
wetten wel gebonden is, verlenen de keizers haar toch dezelfde voorrechten als ze zelf
hebben (vert. Spruit c.s.).
Ulpianus, Commentaar op het edict van de praetor zoals afkomstig uit Digesten
1,5,17: Zij die in het Romeinse rijk leven, zijn uit hoofde van keizer Antoninus Caracalla
Romeinse burgers geworden (vert. Spruit c.s.).
(3) Kennisvragen
a) Wat zijn de Digesten en wanneer kwam dit werk tot stand?
Digesten zijn een bloemlezing (verzameling) van rechtsgeleerde uitspraken die zijn
samengesteld in opdracht van de keizer Justinianus. Dit werk maakt deel uit van de
grotere Corpus Iuris Civilis, een verzameling van Romeinse wetboeken en
juridische teksten die diende om het Romeinse recht te codificeren en te
systematiseren. Het doel was om de wetgeving te standaardiseren en eenvoudig
toepasbaar te maken in het rijk.
De Digesten werden samengesteld tot 400 na Christus in opdracht van keizer
Justinianus.
Instituten is een leerboek dat wordt afgekondigd als wet = bijzonder van dit corpus
iuris civilis.
Digesten kondigt hij af als wet (zouden wij niet doen, omdat het niet echt wetten
zijn). Digesten komen tot stand rond 535 na Chr).
b) Wie was Ulpianus en wanneer leefde hij ongeveer?
Ulpianus was een gezaghebbende Romeinse jurist die leefde in de late 2e eeuw en
vroege 3e eeuw na Christus. Ulpianus was een belangrijke figuur in de Romeinse
juridische wereld en diende als adviseur en jurist. Zijn geschriften, commentaren en
traktaten vormden een grote bron van juridische kennis en vonden hun weg in de
Digesten van Justitianus.
c) Wat was de belangrijkste rechtsbron in de tijd van Ulpianus, en was dit nog
steeds zo in de tijd waarin de Digesten tot stand kwamen?
In de tijd van Ulpianus was de belangrijkste rechtsbron het ius civile, oftewel het
burgerlijk recht dat oorspronkelijk gebaseerd was op het Romeinse gewoonterecht,
en verder ontwikkeld door uitspraken van magistraten en juristen. Naast het ius
civile werd het ius honorarium, dat voortkwam uit de edicten en beslissingen van
praetoren, ook van groot belang.
Tegen de tijd dat de Digesten tot stand kwamen in de 6e eeuw na Christus, tijdens
de heerschappij van keizer Justitianus, waren deze bronnen van het klassieke
Romeinse recht geëvalueerd. Het Romeinse Rijk had inmiddels veel veranderingen
ondergaan, en het rechtssysteem had zich verder ontwikkeld naar een
2
, gecodificeerde vorm. Het Corpus Iuris Civilis en dus ook de Digesten was bedoeld
om het recht te harmoniseren en codificeren door de wetten en juristenopinines
samen te brengen in een uniforme bron die voor het hele Romeinse rijk zou gelden.
Iedereen heeft van nature het recht om vrij te zijn. Hij was een natuurrechtfilosoof
en mensenrechtactivist/jurist. Hij heeft het over natuurrecht. Dit is een eerste stap
naar de rechtsstaat. Het kritiek op de afwezigheid van de fundamentele rechten.
Hieruit kunnen namelijk mensenrechten uit vormen.
(4) Achtergrondvragen
a) Omschrijf kort de betekenis van het concept ‘natuurrecht’. Welke opvatting
heeft Ulpianus over het natuurrecht, en (hoe) verschilt dit van latere
opvattingen over het natuurrecht? Welke rechtsfiguur is volgens Ulpianus
ingevoerd door het ius gentium ondanks dat deze de aangeboren vrijheid
weerspreekt? Wat zegt dit over de werking van het natuurrecht in het
Romeinse recht als geheel?
Natuurrecht
Het concept natuurrecht verwijst naar een universeel, aangeboren recht dat
onafhankelijk van menselijke wetten en culturen bestaat en dat is gebaseerd op het
idee van een rechtvaardige, natuurlijke orde.
Ulpianus beschouwde het natuurrecht (ius naturale) als een fundamenteel recht dat
door de natuur is ingegeven en dat zowel voor mensen als dieren geldt. Hij
beschreef het als de aangeboren principes die universeel gelden en die niet
afhankelijk zijn van culturele of wettelijke bepalingen. Volgens Ulpianus omvat het
natuurrecht bijvoorbeeld het recht op vrijheid en gelijkheid.
Vrijheid en slavernij; ius naturale en ius gentium
Vrijheid is natuurlijk: in de natuur zijn alle mensen van nature vrij. Slavernij bestaat
niet in het natuurrecht, omdat het niet in overeenstemming is met de natuurlijke
gelijkheid en vrijheid.
Slavernij is een menselijke constructie: het is een creatie van het recht der volkeren
(ius gentium), het werd geïntroduceerd door mensen en niet door de natuur
1. Natuurrecht als ideaal: volgens het natuurrecht is slavernij onnatuurlijk, want
alle mensen worden vrij geboren.
2. Conflict tussen natuurrecht en menselijk recht: slavernij is een product van het
ius gentium en weerspiegelt de praktische maar onnatuurlijke aanpassingen in
menselijke samenlevingen.
3. Vrijlating als correctie: vrijlating wordt mogelijk gemaakt door het ius gentium,
maar weerspiegelt de waarden van het natuurrecht door mensen terug te
brengen naar een staat van vrijheid.
Ius naturale, ius gentium, ius civile
Het Romeinse recht maakt een onderscheid tussen ius naturale, ius gentium en ius
civile en gaf in de praktijk vaak voorrang aan het ius gentium en ius civile boven
het natuurrecht. Dit betekent dat het natuurrecht in het Romeinse recht vooral een
3
, theoretisch ideaal was dat niet direct als bindende bron diende, maar als
achtergrondprincipe dat kon worden erkend zonder dat het altijd juridische
consequenties had.
- Ius gentium: volkenrecht, recht dat geldt voor alle volkeren en culturen binnen
het Romeinse rijk. Het omvat normen dat die universeel geldig waren.
Komt door internationaal handelsverkeer.
- Ius civile: recht dat geldt voor alleen Romeinse burgers. Het omvat een mix van
het Romeinse recht (zoals gecodificeerd in Justinianus’ Corpus iuris civilis), het
canonieke recht en de lokale gewoonten.
Ius gentium
Het ius gentium vormde een aanvulling op het ius civile en was vooral bedoeld om
interacties en transacties tussen Romeinen en niet-Romeinen of tussen
vreemdelingen onderling te reguleren.
Het ius gentium omvatte regels voor bijv. handel, contracten, eigendom en het
oplossen van conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen. Het stond dichter
bij de praktijk en was flexibeler dan het ius civile.
Filosofisch concept
Het natuurrecht is volgens Ulpianus meer een filosofisch concept, dat als universeel
en ideaal beginsel boven andere wetten uitstijgt. Het beschrijft hoe dingen zouden
moeten zijn volgens de natuur en logica, maar het werd niet gebruikt als directe
bron voor het opstellen of interpreteren van wetten. In het Romeinse rechtssysteem
had het positieve recht (ius civile en ius gentium) de hoogste autoriteit. Natuurrecht
fungeerde meer als een morele of filosofische richtlijn en niet als een bron die
boven het positieve recht stond. Dit wordt ook duidelijk in de 3e passage van
Ulpianus commentaar op de Digesten. “De keizer is niet gebonden aan de wetten”.
Hieruit blijkt dat zelfs binnen het positieve recht hiërarchieën bestonden waarin de
keizer boven de wet stond.
b) Omschrijf kort de hedendaagse betekenis van de volgende concepten:
- Staat: een volk met een bepaald grondgebied waarover soeverein heerst
- Rechtsstaat: een staatsvorm waarin de overheid onderworpen is aan het recht
- Legaliteitsbeginsel: wettelijke grondslag voor overheidsoptreden
- Machtsverdeling: machtenscheiding, trias politica
c) Welke van de genoemde concepten neem je waar in het Romeinse recht, zoals
beschreven door Ulpianus, Herzog en Honoré? Waar blijkt dit uit de bron? In
welke opzichten verschilde de Romeinse interpretatie van die concepten van
moderne opvattingen?
Legaliteitsbeginsel, kan over twisten
Rechtsstaat: de regels liggen niet bij de staat. Heel veel mensen konden rechten
maken. De praetor en juristen, senaat konden allemaal rechten scheppen.
4
, Week 2 Het Latijnse christendom en de vroege Middeleeuwen
Leerdoelen
1. Na deze cursus kan de student (INHOUDELIJK) 70%
- beschrijven hoe het recht in Europa zich heeft ontwikkeld en welke rol juristen en niet-
juristen daarbij hebben gespeeld (20%); > Latijns Christendom, 3 rechtsbronnen
- de ontwikkeling van het recht in Europa plaatsen tegen politieke, religieuze en sociaal-
culturele achtergronden (20%); > Herzog
- het belang uitleggen van het ‘gemene recht’ voor de ontwikkeling van het recht, zowel
op het Europese continent (ius commune) als in Engeland (common law) en
daarbuiten (20%);
- beargumenteren welke historische ontwikkelingen in het recht in Europa hebben
bijgedragen aan het bestendigen of veranderen van machtsverhoudingen (10%).
2. Na deze cursus kan de student (BRONNEN) 30%
- een bron uit de rechtsgeschiedenis vanuit aanvullende literatuur bespreken in zijn
historische context (15%);
- uitleggen wat het belang is geweest van een historische bron voor de ontwikkeling van
het (staats)recht (15%).
Verplichte literatuur
1) Hoofdstukken 2, 3 en 4 van Herzog 2018, p. 34-72.
2) R.C. van Caenegem, ‘Aantekeningen bij het Middeleeuwse gewoonterecht’,
Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 64-1 (1996), p. 97-102 (hierna: Van Caenegem
1996).
De periode die centraal staat in de tweede week is die van de vroege Middeleeuwen. We
plaatsen deze grofweg in de tijdspanne van 500 na Christus (de val van het West-Romeinse
rijk) tot aan 1100 na Christus (de Investituurstrijd). Daarbij besteden we ook aandacht aan het
ontstaan van het Latijnse Christendom, een ontwikkeling die al vóór 500 na Christus begint,
en die in hoofdstuk 2 van Herzog wordt beschreven.
In haar bespreking van de vroege Middeleeuwen richt Herzog zich op drie rechtsbronnen: het
Romeinse recht, het canonieke recht (oftewel: het kerkelijke recht) en het gewoonterecht. In
deze periode is het gewoonterecht verreweg de belangrijkste rechtsbron: het leeuwendeel van
het recht bestond uit ongeschreven gewoonterecht. Een kenmerk van dit recht was dat het van
plek tot plek verschilde: iedere regio, zelfs ieder dorp, had zijn eigen gewoonterecht. Dit recht
werd veelal mondeling overgeleverd. Bovendien hadden leken een belangrijke rol in
juridische procedures. Het gewoonterecht staat ook centraal in de bronnenanalyse van deze
week.
De periode van de vroege Middeleeuwen wordt afgesloten met een belangrijke historische
gebeurtenis, de Investituurstijd. Deze strijd tussen Paus en Keizer van het Heilige Roomse
5
Verplichte literatuur
1) De inleiding en hoofdstuk 1 van Herzog 2018, p. 1-33.
2) Het hoofdstuk ‘Historische ontwikkeling’ van Burkens 2022, p. 11-36.
3) T. Honoré, Ulpian. Pioneer of human rights (2nd edition), Oxford: Oxford University
Press 2002, p. 84-89 (hierna: Honoré 2002).
In de inleiding van haar boek (p. 1-10) legt Herzog uit hoe zij de Europese rechtsgeschiedenis
benadert. Een cruciaal aspect daarvan is het in context plaatsen van historische documenten:
een bron dient te worden geïnterpreteerd in de historische context waarin deze is ontstaan en
gebruikt.
In hoofdstuk 1 (p. 13-33) beschrijft Herzog vervolgens de ontwikkeling van het recht in de
Romeinse Oudheid, een lange periode van ongeveer 500 voor Christus (de stichting van de
Romeinse republiek) tot aan ongeveer 500 na Christus (de val van het West-Romeinse rijk).
Waarom zij haar werk aanvangt in juist deze periode licht zij toe in de inleiding.
Het Romeinse recht ontstaat in de loop van de Romeinse republiek, met als belangrijke
scheppende instantie de ‘praetor’. Waar in het moderne recht de wet de voornaamste
rechtsbron is, wordt het Romeinse recht gekenmerkt door een veelheid aan rechtscheppende
instanties. Naast de praetor zijn de belangrijkste twee de juristen en de keizer. Hoe deze drie
instanties zich tot elkaar verhouden staat deze week centraal, niet alleen in de inhoudelijke
vragen maar ook in de bronnenanalyse.
In de zesde eeuw na Christus wordt het recht van de Romeinse keizers en juristen verzameld
in opdracht van de Oost-Romeinse keizer Justinianus. Deze verzameling, die in de
Middeleeuwen aangeduid gaat worden als het ‘Geheel van voor burgers geldende recht’
(Corpus Iuris Civilis), is de vorm waarin het Romeinse recht aan ons is overgeleverd. In latere
weken zal blijken hoe belangrijk deze verzameling is geweest voor de ontwikkeling van het
recht in Europa.
Vragen over Herzog
TH, Inleiding (p. 1-12) en hoofdstuk 1 (p. 13-33)
(1) In de inleiding van haar boek legt Tamar Herzog uit dat zij kritiek levert op
‘twee grote verhalen’ over de Europese rechtsgeschiedenis (p. 4). Om welke
verhalen gaat het en welke kritiek heeft zij daarop?
Het gaat hier om het verhaal dat (1) het recht een gegeven is en (2) het Engelse
common law en het continentaal-Europees civil law niet aan elkaar zijn gerelateerd.
(1) Het eerste verhaal gaat over ‘het recht als gegeven’. Dit houdt in dat het recht
normen omvat dit mensen gewoon naleven. Waar deze normen vandaan komen,
hoe ze worden begrepen is niet van belang.
Volgens Herzog is het recht het resultaat van een constante ontwikkeling. Het is
steeds in beweging. Het verhaal dat het recht gegeven is, is volgens haar dus niet
, waar. Het recht is altijd onder invloed van politieke, religieuze en sociaal-culturele
achtergronden.
(2) Het tweede verhaal gaat over het uitgangspunt dat het Engelse common law en het
continentaal Europese civil law (ius commune) niet zijn gerelateerd. Het zijn twee
verschillende rechtssystemen die verschillend benaderd moeten worden.
Volgens Herzog is er wel degelijk een relatie tussen de rechtsstelsels. Ze hebben
namelijk dezelfde oorsprong; het Romeinse recht. Ze mogen dus niet volledig
verschillend benaderd worden.
(2) In hoofdstuk 1 beschrijft Herzog hoe het Romeinse formula-proces leidde tot
belangrijke innovaties in het recht. Beschrijf dit proces in eigen woorden en leg
uit hoe het bijdroeg aan de ontwikkeling van het Romeinse recht. Betrek in je
antwoord de begrippen ‘praetor’, ‘iudex’, ‘formula’, ‘actie’ en ‘edict’.
Het formula-proces houdt in dat er een tweedeling werd gemaakt in de rechtspraak.
(1) De praetor (magistraat; ambtenaar die als hoogste beslissingen kan nemen, niet
religieus) kan toegang verlenen tot de rechter door acties (rechtsmiddelen; soort
toegangsticket naar de rechter) te verlenen.
(2) Vervolgens beslist de iudex (de rechter) inhoudelijk over het geschil. De uitspraak
legt hij vervolgens vast in een edict. Edicten worden gepubliceerd en functioneert
als jurisprudentie, Dit werd dus ook een bron van recht.
Hieruit ontstonden de juristen die werden gekozen door de praetor. Deze juristen zijn
ter ondersteuning voor complexe vraagstukken. De formulas werden namelijk
ingewikkeld. Het waren gewoon mensen met aanzien, Op gegeven moment waren de
juristenadviezen ook een bron van recht. Dit werden uiteindelijk digesten.
De praetor kan rechtsmiddelen verlenen. De praetor stelt een formula op en verleent
hiermee een rechtsmiddel (actie), bijv. diefstal. Voor hetgeen wat nog niet bestond kon
de praetor nieuwe formulas creëren en hiermee als het ware nieuw recht scheppen.
Vragen over bronnen
Deze week lezen we drie primaire bronnen van de Romein Domitius Ulpianus en een
secundaire tekst van de rechtshistoricus Tony Honoré (2002, p. 84-89). Hoe dacht een
prominente Romeinse jurist als Ulpianus zelf over het Romeinse recht en de rechtsstaat en
hoe moeten we zijn uitspraken volgens Honoré historisch en juridisch opvatten en plaatsen?
Hieronder staan drie in het Nederlands vertaalde teksten uit de Romeinse Oudheid:
Ulpianus, Instituten I zoals afkomstig uit Digesten 1,1,4: Ook vrijlatingen behoren tot
het ius gentium. Vrijlating, manumissio, komt van missio (laten gaan) uit de manus (hand),
d.w.z. verlening van vrijheid. Zolang iemand in slavernij verkeert, is hij namelijk
onderworpen aan andermans macht en heerschappij; bij zijn vrijlating wordt hij van die
heerschappij bevrijd. Dit instituut vindt zijn oorsprong in het ius gentium, omdat naar
natuurrecht allen uiteraard vrij geboren worden en toen de slavernij onbekend was, ook de
vrijlating niet bekend was. Maar nadat door het ius gentium de slavernij ingang had
gevonden, is de gunst van de vrijlating gevolgd. En hoewel wij oorspronkelijk met de
gemeenschappelijke natuurlijke benaming ‘mensen’ werden aangeduid, ontstonden er naar
1
, ius gentium drie soorten: vrijen, daarmede in tegenstelling slaven, en, als derde soort,
vrijgelatenen, d.w.z. zij de opgehouden hadden slaaf te zijn (vert. Spruit c.s.).
Ulpianus Commentaar op de wetten van Augustus en Papius zoals afkomstig uit
Digesten 1,3,31: De keizer is niet gebonden aan de wetten. Hoewel de keizerin aan de
wetten wel gebonden is, verlenen de keizers haar toch dezelfde voorrechten als ze zelf
hebben (vert. Spruit c.s.).
Ulpianus, Commentaar op het edict van de praetor zoals afkomstig uit Digesten
1,5,17: Zij die in het Romeinse rijk leven, zijn uit hoofde van keizer Antoninus Caracalla
Romeinse burgers geworden (vert. Spruit c.s.).
(3) Kennisvragen
a) Wat zijn de Digesten en wanneer kwam dit werk tot stand?
Digesten zijn een bloemlezing (verzameling) van rechtsgeleerde uitspraken die zijn
samengesteld in opdracht van de keizer Justinianus. Dit werk maakt deel uit van de
grotere Corpus Iuris Civilis, een verzameling van Romeinse wetboeken en
juridische teksten die diende om het Romeinse recht te codificeren en te
systematiseren. Het doel was om de wetgeving te standaardiseren en eenvoudig
toepasbaar te maken in het rijk.
De Digesten werden samengesteld tot 400 na Christus in opdracht van keizer
Justinianus.
Instituten is een leerboek dat wordt afgekondigd als wet = bijzonder van dit corpus
iuris civilis.
Digesten kondigt hij af als wet (zouden wij niet doen, omdat het niet echt wetten
zijn). Digesten komen tot stand rond 535 na Chr).
b) Wie was Ulpianus en wanneer leefde hij ongeveer?
Ulpianus was een gezaghebbende Romeinse jurist die leefde in de late 2e eeuw en
vroege 3e eeuw na Christus. Ulpianus was een belangrijke figuur in de Romeinse
juridische wereld en diende als adviseur en jurist. Zijn geschriften, commentaren en
traktaten vormden een grote bron van juridische kennis en vonden hun weg in de
Digesten van Justitianus.
c) Wat was de belangrijkste rechtsbron in de tijd van Ulpianus, en was dit nog
steeds zo in de tijd waarin de Digesten tot stand kwamen?
In de tijd van Ulpianus was de belangrijkste rechtsbron het ius civile, oftewel het
burgerlijk recht dat oorspronkelijk gebaseerd was op het Romeinse gewoonterecht,
en verder ontwikkeld door uitspraken van magistraten en juristen. Naast het ius
civile werd het ius honorarium, dat voortkwam uit de edicten en beslissingen van
praetoren, ook van groot belang.
Tegen de tijd dat de Digesten tot stand kwamen in de 6e eeuw na Christus, tijdens
de heerschappij van keizer Justitianus, waren deze bronnen van het klassieke
Romeinse recht geëvalueerd. Het Romeinse Rijk had inmiddels veel veranderingen
ondergaan, en het rechtssysteem had zich verder ontwikkeld naar een
2
, gecodificeerde vorm. Het Corpus Iuris Civilis en dus ook de Digesten was bedoeld
om het recht te harmoniseren en codificeren door de wetten en juristenopinines
samen te brengen in een uniforme bron die voor het hele Romeinse rijk zou gelden.
Iedereen heeft van nature het recht om vrij te zijn. Hij was een natuurrechtfilosoof
en mensenrechtactivist/jurist. Hij heeft het over natuurrecht. Dit is een eerste stap
naar de rechtsstaat. Het kritiek op de afwezigheid van de fundamentele rechten.
Hieruit kunnen namelijk mensenrechten uit vormen.
(4) Achtergrondvragen
a) Omschrijf kort de betekenis van het concept ‘natuurrecht’. Welke opvatting
heeft Ulpianus over het natuurrecht, en (hoe) verschilt dit van latere
opvattingen over het natuurrecht? Welke rechtsfiguur is volgens Ulpianus
ingevoerd door het ius gentium ondanks dat deze de aangeboren vrijheid
weerspreekt? Wat zegt dit over de werking van het natuurrecht in het
Romeinse recht als geheel?
Natuurrecht
Het concept natuurrecht verwijst naar een universeel, aangeboren recht dat
onafhankelijk van menselijke wetten en culturen bestaat en dat is gebaseerd op het
idee van een rechtvaardige, natuurlijke orde.
Ulpianus beschouwde het natuurrecht (ius naturale) als een fundamenteel recht dat
door de natuur is ingegeven en dat zowel voor mensen als dieren geldt. Hij
beschreef het als de aangeboren principes die universeel gelden en die niet
afhankelijk zijn van culturele of wettelijke bepalingen. Volgens Ulpianus omvat het
natuurrecht bijvoorbeeld het recht op vrijheid en gelijkheid.
Vrijheid en slavernij; ius naturale en ius gentium
Vrijheid is natuurlijk: in de natuur zijn alle mensen van nature vrij. Slavernij bestaat
niet in het natuurrecht, omdat het niet in overeenstemming is met de natuurlijke
gelijkheid en vrijheid.
Slavernij is een menselijke constructie: het is een creatie van het recht der volkeren
(ius gentium), het werd geïntroduceerd door mensen en niet door de natuur
1. Natuurrecht als ideaal: volgens het natuurrecht is slavernij onnatuurlijk, want
alle mensen worden vrij geboren.
2. Conflict tussen natuurrecht en menselijk recht: slavernij is een product van het
ius gentium en weerspiegelt de praktische maar onnatuurlijke aanpassingen in
menselijke samenlevingen.
3. Vrijlating als correctie: vrijlating wordt mogelijk gemaakt door het ius gentium,
maar weerspiegelt de waarden van het natuurrecht door mensen terug te
brengen naar een staat van vrijheid.
Ius naturale, ius gentium, ius civile
Het Romeinse recht maakt een onderscheid tussen ius naturale, ius gentium en ius
civile en gaf in de praktijk vaak voorrang aan het ius gentium en ius civile boven
het natuurrecht. Dit betekent dat het natuurrecht in het Romeinse recht vooral een
3
, theoretisch ideaal was dat niet direct als bindende bron diende, maar als
achtergrondprincipe dat kon worden erkend zonder dat het altijd juridische
consequenties had.
- Ius gentium: volkenrecht, recht dat geldt voor alle volkeren en culturen binnen
het Romeinse rijk. Het omvat normen dat die universeel geldig waren.
Komt door internationaal handelsverkeer.
- Ius civile: recht dat geldt voor alleen Romeinse burgers. Het omvat een mix van
het Romeinse recht (zoals gecodificeerd in Justinianus’ Corpus iuris civilis), het
canonieke recht en de lokale gewoonten.
Ius gentium
Het ius gentium vormde een aanvulling op het ius civile en was vooral bedoeld om
interacties en transacties tussen Romeinen en niet-Romeinen of tussen
vreemdelingen onderling te reguleren.
Het ius gentium omvatte regels voor bijv. handel, contracten, eigendom en het
oplossen van conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen. Het stond dichter
bij de praktijk en was flexibeler dan het ius civile.
Filosofisch concept
Het natuurrecht is volgens Ulpianus meer een filosofisch concept, dat als universeel
en ideaal beginsel boven andere wetten uitstijgt. Het beschrijft hoe dingen zouden
moeten zijn volgens de natuur en logica, maar het werd niet gebruikt als directe
bron voor het opstellen of interpreteren van wetten. In het Romeinse rechtssysteem
had het positieve recht (ius civile en ius gentium) de hoogste autoriteit. Natuurrecht
fungeerde meer als een morele of filosofische richtlijn en niet als een bron die
boven het positieve recht stond. Dit wordt ook duidelijk in de 3e passage van
Ulpianus commentaar op de Digesten. “De keizer is niet gebonden aan de wetten”.
Hieruit blijkt dat zelfs binnen het positieve recht hiërarchieën bestonden waarin de
keizer boven de wet stond.
b) Omschrijf kort de hedendaagse betekenis van de volgende concepten:
- Staat: een volk met een bepaald grondgebied waarover soeverein heerst
- Rechtsstaat: een staatsvorm waarin de overheid onderworpen is aan het recht
- Legaliteitsbeginsel: wettelijke grondslag voor overheidsoptreden
- Machtsverdeling: machtenscheiding, trias politica
c) Welke van de genoemde concepten neem je waar in het Romeinse recht, zoals
beschreven door Ulpianus, Herzog en Honoré? Waar blijkt dit uit de bron? In
welke opzichten verschilde de Romeinse interpretatie van die concepten van
moderne opvattingen?
Legaliteitsbeginsel, kan over twisten
Rechtsstaat: de regels liggen niet bij de staat. Heel veel mensen konden rechten
maken. De praetor en juristen, senaat konden allemaal rechten scheppen.
4
, Week 2 Het Latijnse christendom en de vroege Middeleeuwen
Leerdoelen
1. Na deze cursus kan de student (INHOUDELIJK) 70%
- beschrijven hoe het recht in Europa zich heeft ontwikkeld en welke rol juristen en niet-
juristen daarbij hebben gespeeld (20%); > Latijns Christendom, 3 rechtsbronnen
- de ontwikkeling van het recht in Europa plaatsen tegen politieke, religieuze en sociaal-
culturele achtergronden (20%); > Herzog
- het belang uitleggen van het ‘gemene recht’ voor de ontwikkeling van het recht, zowel
op het Europese continent (ius commune) als in Engeland (common law) en
daarbuiten (20%);
- beargumenteren welke historische ontwikkelingen in het recht in Europa hebben
bijgedragen aan het bestendigen of veranderen van machtsverhoudingen (10%).
2. Na deze cursus kan de student (BRONNEN) 30%
- een bron uit de rechtsgeschiedenis vanuit aanvullende literatuur bespreken in zijn
historische context (15%);
- uitleggen wat het belang is geweest van een historische bron voor de ontwikkeling van
het (staats)recht (15%).
Verplichte literatuur
1) Hoofdstukken 2, 3 en 4 van Herzog 2018, p. 34-72.
2) R.C. van Caenegem, ‘Aantekeningen bij het Middeleeuwse gewoonterecht’,
Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 64-1 (1996), p. 97-102 (hierna: Van Caenegem
1996).
De periode die centraal staat in de tweede week is die van de vroege Middeleeuwen. We
plaatsen deze grofweg in de tijdspanne van 500 na Christus (de val van het West-Romeinse
rijk) tot aan 1100 na Christus (de Investituurstrijd). Daarbij besteden we ook aandacht aan het
ontstaan van het Latijnse Christendom, een ontwikkeling die al vóór 500 na Christus begint,
en die in hoofdstuk 2 van Herzog wordt beschreven.
In haar bespreking van de vroege Middeleeuwen richt Herzog zich op drie rechtsbronnen: het
Romeinse recht, het canonieke recht (oftewel: het kerkelijke recht) en het gewoonterecht. In
deze periode is het gewoonterecht verreweg de belangrijkste rechtsbron: het leeuwendeel van
het recht bestond uit ongeschreven gewoonterecht. Een kenmerk van dit recht was dat het van
plek tot plek verschilde: iedere regio, zelfs ieder dorp, had zijn eigen gewoonterecht. Dit recht
werd veelal mondeling overgeleverd. Bovendien hadden leken een belangrijke rol in
juridische procedures. Het gewoonterecht staat ook centraal in de bronnenanalyse van deze
week.
De periode van de vroege Middeleeuwen wordt afgesloten met een belangrijke historische
gebeurtenis, de Investituurstijd. Deze strijd tussen Paus en Keizer van het Heilige Roomse
5