Onderwerp 1: Recht vanuit sociaalwetenschappelijk perspectief incl. ‘Empirical legal studies’
Hoorcollege 1
Law in books Law in action (Pound)
Het recht als een Hoe werkt het recht in de praktijk? Het recht is een product van verschillende
afgesloten systeem externe invloeden, zoals macht(sverhoudingen), geschiedenis en sociale,
met een interne economische en culturele invloeden. Het recht staat niet los van de
logica. Dit behelst maatschappij waarin wij leven. Het gesloten systeem van wetgeving (law in
veelal geschreven books) is op zichzelf onvoldoende om te zien wat er in de samenleving gebeurt.
recht, wegens het Om deze reden moet het recht niet alleen juridisch-doctrinair worden
legaliteitsbeginsel. onderzocht, maar ook sociaalwetenschappelijk.
Volgens Montesquieu’s theorie van de Trias Politica dient de staat zo ingericht te zijn dat drie machten van elkaar
gescheiden zijn en elkaars functioneren bewaken (checks and balences). Het gaat hierbij om de wetgevende macht, de
uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Het doel van Montesquieu was om tirannie te voorkomen en de vrijheid
van de burger te vergroten.
In Nederland is de wetgevende macht niet strikt gescheiden van de uitvoerende macht, omdat de uitvoerende macht, de
regering, ook wetgevende taken heeft. Deze wetgevende taken deelt de regering met de Staten-Generaal (de Eerste en de
Tweede Kamer). Desondanks is de macht van de regering niet onbeperkt. Als uitvoerende macht wordt de regering
(ministers en staatssecretarissen) namelijk gecontroleerd door zowel de Staten-Generaal als de rechtsprekende macht.
Wat beoogt de wetgever te doen? Het is de taak van de wetgever om de beoogde doelen van een wet neer te leggen in
een beleidstheorie. In de praktijk lopen de doelen en de effecten van wetgeving geregeld uiteen. De wetgever formuleert
de doelen van wetgeving over het algemeen onvoldoende en wetten hebben vaak andere effecten in de praktijk, redenen
hiervoor zijn:
- Wetsystematisch: past deze wet binnen het systeem van andere wetten en stelsels? Dit veronderstelt dat de
wetgever van tevoren goed kijkt naar de werking van een wet binnen een wetssysteem, maar dat is niet zo.
- Open normen: wat redelijk en billijk is hangt af van de feiten en omstandigheden. Deze begrippen kunnen
verschillend worden gewaardeerd.
- Grammaticaal: komen woorden en de keuze van woorden overeen met andere wetten?
Voorbeeld van een onderzoeksvraag: hoe behoort mensenhandel in Nederland tegen te worden gegaan?
- Juridische vraag (law in books: wat staat er in de wet?): wat behelst mensenhandel ex art. 273f Sr? Bijvoorbeeld:
onder welke omstandigheden is mensenhandel strafbaar? Wat is de definitie van mensenhandel? Dit zijn
normatieve vragen: hoe zou het moeten zijn? Bewijsrecht wordt vaak normatief benaderd.
- Empirische vraag (law in action: hoe werkt dat recht in de praktijk?): wat is mensenhandel? Hoe ervaren
slachtoffers mensenhandel? Onder wat voor feiten en omstandigheden beoordeeld de rechter in
feitenrechtspraak wat wel of geen uitbuiting is? Niet ‘hoe zou het moeten zijn?’, maar hoe is het ervaren?
Juridisch onderzoek is hermeneutisch onderzoek: de studie van de interpretatie van (geschreven) teksten, in het bijzonder
van teksten op het gebied van literatuur, religie en recht. Er is een ondergrens: het moeten wel ware teksten zijn die niet
vervalst of onwaar zijn. Fictieve teksten op een juiste manier interpreteren is niet voldoende voor onderzoek. Bij strafrecht
gaat het om waarheidsvinding, terwijl in het privaatrecht zaken waar partijen het over eens zijn, als waarheden kunnen
worden aangenomen. Dit schuurt met de empirie.
Empirisch onderzoek is onderzoek waarbij zoveel mogelijk conclusies worden getrokken uit verifieerbaar bewijs. Aan de
hand van experimenteel onderzoek wordt zichtbaar bewijs gevonden voor bepaalde gebeurtenissen en feiten. Meningen
zijn niet te objectiveren, maar feiten wel.
Zo scherp is het onderscheid ook weer niet. Juridisch onderzoek is veel normatief onderzoek, maar ook deels
waarheids- of feitenvinding (empirie). Sommige feiten zijn meer afhankelijk van mensen dan andere. Bijvoorbeeld
vaccinaties werken biologisch en (meer) onafhankelijk de mens. Het is empirisch hoe het menselijk lichaam werkt en het is
niet van de persoon afhankelijk of subjectief. Bijvoorbeeld biologische, natuurkundige en astronomische feiten. Andere
feiten zijn vaak wel (meer) van menselijk herinneren afhankelijk. Dit wordt zo objectief mogelijk opgeschreven.
Bijvoorbeeld juridische, historische of politieke feiten.
, Normatief onderzoek: ‘hoe zou het moeten zijn?’. Empirisch onderzoek: ‘hoe is het?’. Het recht wordt bestudeerd
Het recht wordt bestudeerd van binnenuit aan de hand van de wisselwerking tussen recht en samenleving,
dus meer van buitenaf
Wetsgrammatica, wetsgeschiedenis, Wetsdoel te bereiken, bedoelde en onbedoelde (neven)effecten,
wetssystematiek, wetsteleologie (verwachte) uitvoerbaarheid en handhaafbaardheid
Carel Stolker, ‘‘Ja, geléérd zijn jullie wel!’: Over de status van de rechtswetenschap’.
Zelfstudievragen bij Stolker
1. Aan de hand van de Wrongful life-casus laat Stolker zien dat een juridisch vraagstuk op negen verschillende
manieren kan worden opgelost. Wat betekent dit voor de rechtswetenschap als wetenschap?
Stolker gebruikt de wrongful life-casus om te illustreren dat verstandige en welwillende juristen tot compleet
verschillende juridische oordelen kunnen komen over één casus. Dit toont aan dat het recht niet altijd eenduidige
antwoorden biedt en dat juridische uitkomsten vaak normatief, cultureel en moreel bepaald zijn. Dit roept vragen
op over de wetenschappelijkheid van rechtsgeleerdheid. Als er geen ‘right answer’ is, in tegenstelling tot
natuurwetenschappen, dan lijkt rechtswetenschap eerder interpretatief dan exact of empirisch toetsbaar. Toch
pleit Stolker ervoor dat rechtswetenschap wel degelijk een wetenschap is, maar dat zij wetenschappelijker kan
worden door explicieter te reflecteren op haar methode(n), normativiteit en verhouding tot andere
wetenschappen. Ook aan normatieve uitspraken liggen impliciet geldigheidsuitspraken ten grondslag. Wie
werkzaam is binnen de rechtswetenschap, zal deze uitspraken zoveel mogelijk moeten expliciteren en moeten
zoeken naar fundering. Juist een kritische reflectie op de eigen persoon en methoden, brengen uitspraken op een
objectiever, universeler en daarmee wetenschappelijker niveau.
De natuurwetenschap streeft ernaar observaties van onderzoekers te combineren tot universele
wetmatigheidsuitspraken. Onderzoek dient onafhankelijk van de persoon van de onderzoeker te zijn. Deze plaatst
zich tegenover zijn object van onderzoek, op een neutraal standpunt, van waaruit hij de wereld tracht te bezien
en te onderzoeken. De kwetsbaarheden van rechtswetenschappelijk onderzoek zijn dat de onderzoeker vaak
samenvalt met het onderzoeksobject. Het onderzoek heeft een sterk normatief karakter (hoe zou het recht
moeten zijn?) en is nauw verweven met de rechtspraktijk. Rechtswetenschappelijk onderzoek heeft een beperkte
mogelijkheid tot falsificatie (de mogelijkheid om tegenbewijs te vinden voor een bepaalde theorie).
2. Waarom vraagt de privatist Stolker, naast aandacht voor methoden van rechtsvinding, meer accent op methoden
en technieken van rechtswetenschappelijk onderzoek?
Stolker betoogt dat juristen te veel bezig zijn met het toepassen van bestaande kennis (rechtsvinding), en te
weinig met het ontwikkelen van nieuwe kennis over het recht zelf. Hij maakt onderscheid tussen ‘geleerdheid’
(toepassing) en ‘wetenschap’ (innovatie). Volgens hem moet rechtswetenschappelijk onderzoek meer aandacht
besteden aan methodologie, systematiek en toetsbare theoretische inzichten om de academische status van het
recht als wetenschap te versterken.
De rechtswetenschap moet meer aandacht besteden aan haar wetenschappelijke status, kan leren van andere
disciplines, maar heeft tegelijkertijd een unieke bijdrage aan het begrijpen van rechtvaardigheid.
Rechtswetenschappelijk onderzoek is sterk contextueel en normatief. Het richt zich meer op het recht zoals het
zou moeten zijn, dan op het recht zoals het is.
3. Waarom moet er volgens Stolker onder meer meer aandacht voor empirisch onderzoek naar voor het recht
relevante onderwerpen komen en wat hebben juristen daar volgens hem aan?
Stolker pleit voort meer empirisch onderzoek omdat het recht zich niet alleen richt op het wat zou moeten zijn
(normatief), maar ook moet begrijpen hoe het in de praktijk werkt. Vooral disciplines als rechtssociologie,
rechtseconomie en rechtspsychologie kunnen inzicht geven in de effectiviteit, werking en gevolgen van
rechtsregels. Zulke inzichten zijn essentieel voor wetgeving, beleid en rechtsvinding. Juristen hebben er volgens
Stolker baat bij omdat dit soort onderzoek bijdraait aan een realistischer, toetsbaarheid en maatschappelijk
relevanter rechtswetenschappelijke discours.
Kees van den Bos, ‘Kijken naar recht’, oratie, Universiteit Utrecht, 2014.
Van den Bos’ oratie behandelt het belang en de methodes van empirische rechtswetenschap, oftewel ‘kijken naar het
recht’ door systematisch onderzoek te doen naar de praktische werking van het rechtssysteem. Wat is empirische
rechtswetenschap?
Kortgezegd betekent empirische rechtswetenschap, het systematisch kijken naar het recht in de werkelijkheid.
Wetenschap behelst hierbij het op systematische wijze verzamelen, analyseren, interpreteren en beschrijven van data
,over de rechtspraktijk die op waarneming gebaseerd zijn. Data zijn hierbij objectieve informatie-eenheden over de wereld
en data worden gegevens wanneer zij door de onderzoeker of kennisnemers van het onderzoek worden geïnterpreteerd.
Empirische rechtswetenschap is gericht op begrijpen hoe recht functioneert, en niet alleen op theoretische bestudering.
Empirisch onderzoek is gebaseerd op inductie: beginnen met waarneming van de werkelijkheid (bottum-up proces).
Vervolgens probeert men die waarneming te verklaren en te duiden, waarna men gaat toetsen of deze verklaring
standhoudt tijdens het kritisch toetsen van de verklaring. Er worden verschillende onderzoeksmethoden gebruikt,
namelijk kwalitatieve interviews, vragenlijsten, observaties en veldexperimenten. Qua huidige onderzoeksmethoden kan
empirisch-juridisch onderzoek zowel kwalitatief als kwantitatief van aard zijn, mits het maar relevante inzichten oplevert.
Het is belangrijk om uit te leggen waarom je een bepaalde methode wil gebruiken. Bijvoorbeeld: ‘Ik wil graag weten hoe
warm het is, dus ik ga een thermometer gebruiken.’ Niet andersom. Je moet de methode (hoe kan je de vraag
beantwoorden) linken met het resultaat van het onderzoek.
Van den Bos gebruikt een instrumentele benadering. Dit heeft de neiging om recht alleen als middel te zien. Dit miskent
soms dat het recht in een veel ruimer normenapparaat terecht komt en er sprake is van een tweerichtingsverkeer. Er is
een wisselwerking tussen wisselwerking tussen recht en samenleving. Sommige dingen zijn namelijk niet met recht te
regelen.
Zelfstudievragen bij Van den Bos
1. Wat verstaat Van den Bos onder ‘kijken naar het recht?’
Van den Bos bedoelt met ‘kijken naar het recht’ het systematisch waarnemen van het recht zoals het zich in de
praktijk voordoet. Het gaat om empirisch onderzoek, waarbij data wordt verzameld, geanalyseerd en
geïnterpreteerd om de werking van het recht in werkelijkheid te begrijpen. Het gaat niet alleen om het
bestuderen van wetboeken en juridische theorieën, maar juist om het onderzoeken van hoe het recht
functioneert in de praktijk.
Empirische rechtswetenschap is belangrijk omdat het de werking van het recht in de werkelijkheid ontdekt. Het
onthult daarmee verborgen mechanismen in het rechtssysteem, door bijvoorbeeld onderzoek te doen naar
vertrouwen in rechters. Daarnaast is het de motor van nieuwe rechtsontwikkeling door maatschappelijke
veranderingen te signaleren en nieuwe rechtsvragen te identificeren. Bovendien dient empirische
rechtswetenschap als bouwsteen voor betogen. Het onderbouwt juridische argumenten met empirische
gegevens. Empirische rechtswetenschap is essentieel voor een beter begrip van het rechtssysteem,
maatschappelijke relevantie en wetenschappelijke verdieping.
2. Wat is volgens Van den Bos het verschil tussen ‘law in books’ en ‘law in action’?
‘Law in books’ verwijst naar de traditionele juridische benadering van rechtswetenschap: het analyseren van
wetgeving, jurisprudentie en literatuur (het recht zoals het op papier staat). Dit is veelal normatief en theoretisch
van aard. ‘Law in action’ daarentegen betreft het empirisch onderzoek naar hoe het recht functioneert in de
praktijk. Van den Bos stelt dat ‘law in action’ inzichten biedt over de effectiviteit en maatschappelijke impact van
het recht. Empirische rechtswetenschap valt onder ‘law in action’ omdat het onderzoekt hoe juridische regels en
teksten praktisch werken en welke effecten dit heeft op het dagelijks leven.
Waarbij in empirisch onderzoek inzichten worden getoetst aan waarnemingen, baseert positiefrechtelijk
onderzoek zich op kritische analyse en logisch nadenken. Hierbij wordt gewoonlijk een beroep gedaan op het
bestuderen van dossiers, wetten en andere juridische teksten. Positiefrechtelijk onderzoek wordt daarom ook wel
aangeduid als ‘law in books’. Dit in tegenstelling tot empirisch rechtswetenschappelijk onderzoek, dat als ‘law in
action’ wordt bestempeld. ‘Law in action’ behelst de werking van het recht in de praktijk van alledag, oftewel
onderzoek naar de werking van het recht. Meer formeel uitgedrukt bestudeert empirische rechtswetenschap de
juridische actoren, instituties, regels en procedures om een beter inzicht te verkrijgen in hoe deze werken en wat
de effecten ervan zijn. ‘Law in books’ betreft dus letterlijk boekenwetenschap, of de wetenschappelijke
bestudering van juridische geschriften en documenten. Soms heeft die analyse een normatief karakter en gaat zij
na hoe het recht behoort te luiden.
3. Wat zijn voorbeelden van onderwerpen waarop er al meer aandacht is voor empirisch onderzoek naar voor het
recht relevante onderwerpen (grotendeels anders dan in 2003 toen Stolker zijn oproep deed)?
Van den Bos noemt verschillende voorbeelden waar inmiddels meer empirisch onderzoek naar wordt gedaan:
- Vertrouwen in de rechtspraak (veldexperiment): zoals het onderzoek van Hulst & Robijn naar hoe
opleidingsniveau en interviewerstatus het vertrouwen in rechters beïnvloeden. Er wordt onderzocht hoe
hoog- en laagopgeleiden verschillend reageren op vragen van interviewers over hun vertrouwen in rechters.
Voor hoogopgeleide mensen maakte het niet uit door wie zij werden geïnterviewd. In beide condities van het
, onderzoek gaven hoogopgeleiden aan dat zij vertrouwen in Nederlandse rechters hadden. Laagopgeleide
mensen die door Marie-Claire werden geïnterviewd gaven ook aan dat zij vertrouwen hadden in Nederlandse
rechters. Maar, wanneer zij door Priscilla werden geïnterviewd, gaven zij aan weinig vertrouwen te hebben in
Nederlandse rechters. Vervolgonderzoek is nodig, maar deze bevindingen suggereren dat de
maatschappelijke status van de interviewer invloed heeft op vertrouwensoordelen over Nederlandse rechters
bij lager opgeleiden. Reden voor onderzoek: het empirisch onderzoek stelt ons in staat een preciezer inzicht
te krijgen in de werkelijkheid en dingen te ontdekken die in die werkelijkheid een belangrijke rol spelen en die
anders wellicht niet worden opgemerkt.
- Radicalisering en afwijzing van de rechtsstaat (kwalitatieve diepte-interviews): hierbij wordt gekeken naar
gevoelens van onrechtvaardigheid en de mate waarin mensen zich afgehaakt voelen van de rechtsorde. Er
wordt onderzoek gedaan naar hoe gevoelens van onrechtvaardigheid leiden tot sympathie voor extremisme.
Reden voor onderzoek: waargenomen ongelijkheid en onrechtvaardigheid zijn vaak een belangrijke bron van
protest en vormen geregeld de wens tot maatschappelijke veranderingen (Ton Hol). Dat kunnen belangrijke
redenen zijn voor de politiek om wetgeving aan te willen passen of voor burgers om te gaan twijfelen aan de
rechtsstaat of deze zelfs af te wijzen. Het onderzoek toont aan dat ‘wanneer mensen het idee hebben dat hun
groep onrechtvaardig wordt behandeld zij eerder sympathie krijgen voor extremistisch gedachtengoed en
sympathieker staan tegenover gewelddadig gedrag dat met dit gedachtengoed kan samengaan’. Zeker
wanneer mensen onzeker zijn over hun maatschappelijke positie en hun eigen rol in de samenleving spelen
gevoelens van onrechtvaardigheid een grote rol. Groepsonrechtvaardigheid suggereert dat wanneer mensen
van groep veranderen een belangrijke bron van radicalisme weggenomen kan zijn. Bij radicalisme op grond
van individuele morele principes, lijkt dit groepsgevoel minder een rol te spelen en gaat het om
waargenomen schending van morele principes die moeilijker te veranderen zijn. Daarnaast bleek uit
onderzoek dat rechtsradicalen zich ten opzichte van moslims achtergesteld voelden (horizontale deprivatie).
Moslimradicalen voelden zich achtergesteld door de regering en andere maatschappelijke autoriteiten
(verticale deprivatie). Dat inzicht in belangrijke genuanceerde verschillen tussen verschillende vormen van
radicalisering en houdingen tegenover de rechtsstaat kan handvatten bieden voor interventies tegen
radicalisering en daaraan gerelateerde houdingen inclusief afkering van de rechtsstaat.
- Procedurele rechtvaardigheid: er wordt onderzoek gedaan naar hoe rechtzoekenden insolventiezittingen
ervaren en welke rol dat speelt op hun vertrouwen in rechters en de naleving van uitspraken en regelgeving.
In deze zittingen wordt geoordeeld over de financiële situatie van mensen en wordt over hun financiële
toekomst beslist. Wanneer je op een respectvolle en eerlijke wijze door deze autoriteit wordt behandeld en je
je mening mag geven aan deze professionele persoon dan kan dat ervoor zorgen dat je vertrouwen krijgt in
hoe de insolventiezitting zal verlopen en meer in het algemeen meer vertrouwen zal krijgen in rechters.
Wanneer de onderzoekers na afloop van de zitting mensen vroegen een kwantitatieve vragenlijst in te vullen
bleek dat zij in de insolventiezittingen een hoge mate van procedurele rechtvaardigheid hadden ervaren. Ook
bleek dat naarmate rechtzoekenden hun zitting als meer procedureel rechtvaardig ervoeren dit gepaard ging
met meer vertrouwen in de rechter die hun zaak behandelde, meer vertrouwen in de rechters in Nederland
en meer bereidheid om een schuldsaneringsregeling na te leven. Deze bevindingen suggereren dat de manier
waarop rechtzoekenden zich behandeld voelen tijdens een insolventiezitting van invloed is op belangrijke
daaropvolgende reacties. Een belangrijk resultaat van het onderzoek was dat bij de groep deelnemers die
voorafgaand aan de zitting herinnerd was aan niet-gedragsgeremdheid, ervaren procedurele rechtvaardigheid
niet samenhing met vertrouwen in de rechters in Nederland, terwijl ervaren procedurele rechtvaardigheid
wel sterk samenhing met vertrouwen in Nederlandse rechters in de controleconditie waarin deelnemers niet
aan ongeremd gedrag herinnerd waren. Met andere woorden, omdat mensen zich geëvalueerd voelen door
maatschappelijke autoriteiten en omdat zij vaak niet weten wat hun te wachten staat in interacties met
autoriteiten zoals rechters, zullen mensen vaak geremd zijn in hun interacties met die autoriteiten. Hierdoor
zullen ze extra gevoelig zijn voor hoe rechtvaardig of onrechtvaardig zij door de autoriteiten behandeld
worden. Reden voor onderzoek: empirisch rechtswetenschappelijk onderzoek kan bouwstenen geven voor
het onderbouwen van positiefrechtelijke en andere betogen. Het begrijpen van het psychologische proces
maakt dat we reacties van burgers in de rechtszaal beter kunnen verklaren en voorspellen en dat vervolgens
rechters kunnen worden getraind hier beter mee om te gaan.
Nina Holvast e.a., ‘Introductie’, in: Recht in het echt, 2024.