Samenvatting les 2: Inleiding de welvaartsstaat en sociale zekerheid in België
1.De welvaartstaat: korte historiek en definitie:
Samenleving heeft een evolutie ondergaan:
Nachtwakersstaat → moderne welvaartstaat → actieve welvaartstaat
Nachtwakersstaat (tot eind 19de eeuw):
- Periode van Daens
- Geen financiering door de overheid
- Overheid hield zich bezig met politie en justitie, moest zich niet mengen in het
maatschappelijke leven van de burgers
- Welzijn (armenzorg en gezondheidszorg) gedaan door privé initiatieven → religieuze
gemeenschappen, paters en nonnen
20ste eeuw: eerste tekenen welvaartsstaat:
- Industrialisering bracht verandering: meer aandacht voor de sociale kwestie
(arbeidsbewegingen)
- Overheid investeert in het welzijn van de burger
- Samenleving waarbij overheid rekening houdt met de grondrechten van de burger
- 1831 = onafhankelijkheid België → grondwet werd basisrecht
- 1ste generatie grondwetten:
o Politieke burgerrechten
de
- 2 generatie grondwetten:
o Sociale grondwetten (recht op onderwijs, recht op huisvesting, recht op
gezondheid)
o Asielzoekers die op straat leven → gaan in tegen deze rechten
o Nieuw = alle personen met een handicap hebben recht op inclusie
de
- 3 generatie grondwetten:
o ‘duurzame’ grondrechten, over het milieu
Vanaf 1945: moderne welvaartsstaat/ verzorgingsstaat:
- Periode van economische bloei
- Verregaande overheidsingrijpen in de economie en het maatschappelijk leven: de
overheid wil voor iedereen welvaart en welzijn garanderen door bescherming te
bieden tegen belangrijke sociale risico’s (bv werkloosheid of het hebben van
kinderen)
- Belangrijke periode: in 1944 is de wet van de sociale zekerheid ontstaan zoals we ze
nu nog altijd kennen.
- In deze periode heel wat gerealiseerd:
o Stijging lonen → sterke welvaartstoename
o Daling arbeidsduur
o Democratisering onderwijs
o Vervangingsinkomen
, o Welzijnssector wordt sterker ontwikkeld (bv. Sector pmh, BZJ)
o Grotere sociale bescherming
- Overheid gaat zich bezighouden met sociaal beleid en welzijn
Democratisering onderwijs:
- Vanaf de 2de WO (jaren 60) meer mogelijkheid tot toegang onderwijs. Er studeren
meer mensen af en meer gaan verder studeren, ook die uit de arbeidsklasse.
- Tot op vandaag nog altijd ongelijkheid op vlak van onderwijs
- Overheid gaat onderwijs meer en meer financieren
Vanaf jaren 70:
- Economische crisis (oliecrisis) : overheid had andere prioriteiten dan welzijn
- Gevolg : lange wachtlijsten in welzijn
- Sommige uitkeringen worden afgeschaft, andere verminderd
- Gaan besparen op kindergeld (tot 1970 kreeg je voor 1 jaar 14 maanden kindergeld)
→ door WO2 ging aantal geboorten omlaag → roepen kindergeld in om mensen aan
te zetten kinderen te krijgen.
- Oliecrisis → werkloosheid steef en er kwamen financiële problemen in de sociale
zekerheid → als gevolg schafte de overheid sommige uitkeringen in de sociale
zekerheid af (bv. 13de en 14de maand kinderbijslag) en verminderde anderen
(inschakelingsuitkering schoolverlaters) → welvaartsstaat stond meer en meer onder
druk → overgang actieve welvaartsstaat
Vanaf jaren 90: actieve welvaartsstaat:
- Idee = het individu moet actief streven naar participatie en sociale integratie. Hij/zij
moet dus verantwoordelijkheid opnemen. De nadruk ligt op participatie van de
arbeid.
- Nadruk arbeidsmarkt: mensen moeten langer en meer aan het werk (verhoging
pensioensleeftijd) → welvaartsstaat en de eraan gekoppelde sociale zekerheid blijft
betaalbaar
- Overheid moet daartoe kansen bieden: rechten (recht op onderwijs)
- Evenwicht tussen rechten en plichten
- Welvaartsstaat: 40% van het Belgisch BNP gaat naar sociale uitkeringen en sociale
diensten (bv. Onderwijs en sociale zekerheid)
- Actieve welvaartsstaat = je hebt recht op veel dingen, maar er staan plichten
tegenover (je kan een leefloon aanvragen, maar dan heb je de plicht om op zoek te
gaan naar werk)
- Overheid gaat investeren in de welvaart van mensen
- Moderne welvaartsstaat = nadruk op de rechten die de burgers hebben
Actieve welvaartsstaat = nadruk op combinatie rechten én plichten
,De welvaartsstaat voorbij?
- Gaat de welvaartsstaat behouden blijven als er plichten aan gekoppeld zijn?
- Nederland = participatiesamenleving: overheid trekt zich van bepaalde dingen terug,
volk moet dit zelf kunnen regelen
- Ouderenparticipatiecrèche = opvang voor kinderen.
Kinderopvang heeft het moeilijk → gezinnen gaan samenwerken en gaan elkaars
kinderen opvangen omdat er geen plek is in de opvang. Overheid moeit zich niet, de
gezinnen zoeken zelf een oplossing.
- Nadruk ligt op de eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht en regie over het eigen
leven
Lippens:
- Geen voorstander van de welvaartsstaat
- Overheid moet zich zo weinig mogelijk moeien
- Mensen denken dat de structuur tot in de eeuwigheid kan bestaan, maar dat is niet
mogelijk want het is onbetaalbaar.
2.De sociale zekerheid
- Basis van onze welvaartsstaat
- Sociale zekerheid = het geheel van voorzieningen met als doel de financiële
bestaanszekerheid van de burger door bepaalde sociale risico’s te dekken.
- Ontstaan in 1944
- Bedoeling = als er een sociaal risico is gaan ze dit financieel proberen oplossen
(wanneer je ziek bent, moet je maar een klein bedrag betalen bij de dokter, je krijgt
vakantiegeld…)
- Moest sociale zekerheid niet bestaan → 44% van de mensen zouden in armoede
leven
- Mogelijke sociale risico’s:
o Ziekte
o Pensioen
o Werkloosheid
o Hebben van kinderen
- 2 functies:
o Vervangingsinkomen bij verlies van arbeidsinkomsten (bij ziekte of pensioen)
o Aanvulling op inkomen voorzien bij bepaalde sociale lasten (bij het krijgen van
kinderen, vakantiegeld)
, Sociale zekerheidssysteem bestaat uit 3 stelsels:
- Sociale zekerheid is van toepassing op de hele Belgische bevolking, maar er wordt
wel een onderscheid gemaakt naargelang van de beroepshouding:
1. Een werknemersstelsel:
o Werknemer = iemand die met zijn werkgever verbonden is door
een arbeidsovereenkomst
o Alle werknemers uit de privésector en de contractuelen van de
overheid behoren tot dit stelsel
o Zijn verzekerd voor alle sociale risico’s (recht op groeipakket,
pensioen, geneeskundige verzorging, jaarlijks vakantiegeld,
uitkering in geval van werkloosheid en ziekte/ invaliditeit/
beroepsziekte/ arbeidsongeval)
o De meeste behoren tot deze groep
2. Een zelfstandigenstelsel:
o Zelfstandige = iemand die een beroepsactiviteit uitoefent zonder te
zijn aangeworven met een arbeidscontract of statuut.
o Hebben enkel recht op pensioen, ziekte- en invaliditeitsuitkering
en het groeipakket.
o Hebben geen ziekteverzekering (ook niet bij ongevallen)
o Als ze zonder werk vallen is er geen back-up vanuit de sociale
zekerheid
3. Een ambtenarenstelsel:
o Ambtenaar = iemand die onderworpen is aan het statuur van de
openbare dienst.
o Omdat ze werkzekerheid hebben, zijn ambtenaren niet verzekerd
tegen werkloosheid. Van de andere rechten kunnen ze wel
genieten.
o Betalen iets minder voor het sociaal beleid
Financiering sociale zekerheid:
- Dragen bij tot de sociale zekerheid:
o Sociale bijdrage: berekend op het inkomen uit de arbeid die in België geleverd
wordt. Worden betaald door én de werkgever én de werknemer én de
zelfstandige én de ambtenaar.
o Subsidie van de overheid
o Alternatieven (btw inkomst elektriciteit)
- Arbeid financiert de sociale zekerheid
1.De welvaartstaat: korte historiek en definitie:
Samenleving heeft een evolutie ondergaan:
Nachtwakersstaat → moderne welvaartstaat → actieve welvaartstaat
Nachtwakersstaat (tot eind 19de eeuw):
- Periode van Daens
- Geen financiering door de overheid
- Overheid hield zich bezig met politie en justitie, moest zich niet mengen in het
maatschappelijke leven van de burgers
- Welzijn (armenzorg en gezondheidszorg) gedaan door privé initiatieven → religieuze
gemeenschappen, paters en nonnen
20ste eeuw: eerste tekenen welvaartsstaat:
- Industrialisering bracht verandering: meer aandacht voor de sociale kwestie
(arbeidsbewegingen)
- Overheid investeert in het welzijn van de burger
- Samenleving waarbij overheid rekening houdt met de grondrechten van de burger
- 1831 = onafhankelijkheid België → grondwet werd basisrecht
- 1ste generatie grondwetten:
o Politieke burgerrechten
de
- 2 generatie grondwetten:
o Sociale grondwetten (recht op onderwijs, recht op huisvesting, recht op
gezondheid)
o Asielzoekers die op straat leven → gaan in tegen deze rechten
o Nieuw = alle personen met een handicap hebben recht op inclusie
de
- 3 generatie grondwetten:
o ‘duurzame’ grondrechten, over het milieu
Vanaf 1945: moderne welvaartsstaat/ verzorgingsstaat:
- Periode van economische bloei
- Verregaande overheidsingrijpen in de economie en het maatschappelijk leven: de
overheid wil voor iedereen welvaart en welzijn garanderen door bescherming te
bieden tegen belangrijke sociale risico’s (bv werkloosheid of het hebben van
kinderen)
- Belangrijke periode: in 1944 is de wet van de sociale zekerheid ontstaan zoals we ze
nu nog altijd kennen.
- In deze periode heel wat gerealiseerd:
o Stijging lonen → sterke welvaartstoename
o Daling arbeidsduur
o Democratisering onderwijs
o Vervangingsinkomen
, o Welzijnssector wordt sterker ontwikkeld (bv. Sector pmh, BZJ)
o Grotere sociale bescherming
- Overheid gaat zich bezighouden met sociaal beleid en welzijn
Democratisering onderwijs:
- Vanaf de 2de WO (jaren 60) meer mogelijkheid tot toegang onderwijs. Er studeren
meer mensen af en meer gaan verder studeren, ook die uit de arbeidsklasse.
- Tot op vandaag nog altijd ongelijkheid op vlak van onderwijs
- Overheid gaat onderwijs meer en meer financieren
Vanaf jaren 70:
- Economische crisis (oliecrisis) : overheid had andere prioriteiten dan welzijn
- Gevolg : lange wachtlijsten in welzijn
- Sommige uitkeringen worden afgeschaft, andere verminderd
- Gaan besparen op kindergeld (tot 1970 kreeg je voor 1 jaar 14 maanden kindergeld)
→ door WO2 ging aantal geboorten omlaag → roepen kindergeld in om mensen aan
te zetten kinderen te krijgen.
- Oliecrisis → werkloosheid steef en er kwamen financiële problemen in de sociale
zekerheid → als gevolg schafte de overheid sommige uitkeringen in de sociale
zekerheid af (bv. 13de en 14de maand kinderbijslag) en verminderde anderen
(inschakelingsuitkering schoolverlaters) → welvaartsstaat stond meer en meer onder
druk → overgang actieve welvaartsstaat
Vanaf jaren 90: actieve welvaartsstaat:
- Idee = het individu moet actief streven naar participatie en sociale integratie. Hij/zij
moet dus verantwoordelijkheid opnemen. De nadruk ligt op participatie van de
arbeid.
- Nadruk arbeidsmarkt: mensen moeten langer en meer aan het werk (verhoging
pensioensleeftijd) → welvaartsstaat en de eraan gekoppelde sociale zekerheid blijft
betaalbaar
- Overheid moet daartoe kansen bieden: rechten (recht op onderwijs)
- Evenwicht tussen rechten en plichten
- Welvaartsstaat: 40% van het Belgisch BNP gaat naar sociale uitkeringen en sociale
diensten (bv. Onderwijs en sociale zekerheid)
- Actieve welvaartsstaat = je hebt recht op veel dingen, maar er staan plichten
tegenover (je kan een leefloon aanvragen, maar dan heb je de plicht om op zoek te
gaan naar werk)
- Overheid gaat investeren in de welvaart van mensen
- Moderne welvaartsstaat = nadruk op de rechten die de burgers hebben
Actieve welvaartsstaat = nadruk op combinatie rechten én plichten
,De welvaartsstaat voorbij?
- Gaat de welvaartsstaat behouden blijven als er plichten aan gekoppeld zijn?
- Nederland = participatiesamenleving: overheid trekt zich van bepaalde dingen terug,
volk moet dit zelf kunnen regelen
- Ouderenparticipatiecrèche = opvang voor kinderen.
Kinderopvang heeft het moeilijk → gezinnen gaan samenwerken en gaan elkaars
kinderen opvangen omdat er geen plek is in de opvang. Overheid moeit zich niet, de
gezinnen zoeken zelf een oplossing.
- Nadruk ligt op de eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht en regie over het eigen
leven
Lippens:
- Geen voorstander van de welvaartsstaat
- Overheid moet zich zo weinig mogelijk moeien
- Mensen denken dat de structuur tot in de eeuwigheid kan bestaan, maar dat is niet
mogelijk want het is onbetaalbaar.
2.De sociale zekerheid
- Basis van onze welvaartsstaat
- Sociale zekerheid = het geheel van voorzieningen met als doel de financiële
bestaanszekerheid van de burger door bepaalde sociale risico’s te dekken.
- Ontstaan in 1944
- Bedoeling = als er een sociaal risico is gaan ze dit financieel proberen oplossen
(wanneer je ziek bent, moet je maar een klein bedrag betalen bij de dokter, je krijgt
vakantiegeld…)
- Moest sociale zekerheid niet bestaan → 44% van de mensen zouden in armoede
leven
- Mogelijke sociale risico’s:
o Ziekte
o Pensioen
o Werkloosheid
o Hebben van kinderen
- 2 functies:
o Vervangingsinkomen bij verlies van arbeidsinkomsten (bij ziekte of pensioen)
o Aanvulling op inkomen voorzien bij bepaalde sociale lasten (bij het krijgen van
kinderen, vakantiegeld)
, Sociale zekerheidssysteem bestaat uit 3 stelsels:
- Sociale zekerheid is van toepassing op de hele Belgische bevolking, maar er wordt
wel een onderscheid gemaakt naargelang van de beroepshouding:
1. Een werknemersstelsel:
o Werknemer = iemand die met zijn werkgever verbonden is door
een arbeidsovereenkomst
o Alle werknemers uit de privésector en de contractuelen van de
overheid behoren tot dit stelsel
o Zijn verzekerd voor alle sociale risico’s (recht op groeipakket,
pensioen, geneeskundige verzorging, jaarlijks vakantiegeld,
uitkering in geval van werkloosheid en ziekte/ invaliditeit/
beroepsziekte/ arbeidsongeval)
o De meeste behoren tot deze groep
2. Een zelfstandigenstelsel:
o Zelfstandige = iemand die een beroepsactiviteit uitoefent zonder te
zijn aangeworven met een arbeidscontract of statuut.
o Hebben enkel recht op pensioen, ziekte- en invaliditeitsuitkering
en het groeipakket.
o Hebben geen ziekteverzekering (ook niet bij ongevallen)
o Als ze zonder werk vallen is er geen back-up vanuit de sociale
zekerheid
3. Een ambtenarenstelsel:
o Ambtenaar = iemand die onderworpen is aan het statuur van de
openbare dienst.
o Omdat ze werkzekerheid hebben, zijn ambtenaren niet verzekerd
tegen werkloosheid. Van de andere rechten kunnen ze wel
genieten.
o Betalen iets minder voor het sociaal beleid
Financiering sociale zekerheid:
- Dragen bij tot de sociale zekerheid:
o Sociale bijdrage: berekend op het inkomen uit de arbeid die in België geleverd
wordt. Worden betaald door én de werkgever én de werknemer én de
zelfstandige én de ambtenaar.
o Subsidie van de overheid
o Alternatieven (btw inkomst elektriciteit)
- Arbeid financiert de sociale zekerheid