Menstheorie B
Les 1
Hoofdstuk 12 psychosociale ontwikkeling – hoofdstuk 14 identiteit.
Identiteit -> combinatie van essentiële psychische kwaliteiten die de
persoon typeren en onderscheidbaar maken.
Uniciteit -> jij bent uniek, je identiteit is wat jou onderscheidt van
anderen.
Continuïteit -> je identiteit loopt als een rode draad door je leven, een
rode draad die zorgt voor een voortgang die ononderbroken.
Ontwikkeling -> proces van groei en verandering dat wordt bepaald door
de interactie tussen erfelijkheid en omgeving.
Intrinsiek samenhangende eenheid -> mensen brengen
gebeurtenissen en keuzes in hun leven in verband dat ze er een eigen
verhaal met betekenis van kunnen maken. De betekenis heeft te maken
met de samenhang die ze erin zien.
Narrativiteit -> de verhalende manier van betekenis geven.
Volgens Paul Verhaeghe heeft identiteit meer te maken met worden dan
met zijn. Identiteit veranderd steeds. Je erft gerichtheid en mogelijkheden
hoe dat verder gaat hangt af van de omgeving. De ontwikkeling van
identiteit hangt dus af van de omgeving en die mensen die daarin tot
voorbeeld zijn.
Volgens Bosma in Slot & Van Aken is identiteitsontwikkeling tweedelig. Er
is identificatie en verzet. Identificatie -> rolmodellen die je aanspreken,
die richting wil ik mij ontwikkelen, eigenschappen en waarde die je
toevoegt aan jezelf. Verzet -> besef dat je juist niet zo wil zijn, je maakt je
los van invloeden die niet bij jou horen. Dit gebeurt in de adolescentie.
Deze fase is volgens Erikson heel bepalend voor je identiteit. Je gaat je
verbinden aan waarde en overtuigingen, beroepskeuze, seksuele
identiteit, interesses en religie etc. <- Erikson noemt dit commitments.
Adolescentie -> ontwikkeling naar volwassen zijn.
Psychologie-> wetenschap gedrag en mentale processen.
Ontwikkelingspsychologie -> bestudeerd de psychologische
veranderingen bij toenemende leeftijd.
,Pedagogiek -> de wetenschap van opvoeden.
Opvoeden -> het proces waarin een kind wordt gevormd naar de normen
en waarden van de opvoeders en de samenleving.
Er zijn 3 krachten van ontwikkeling:
1. Nature -> factoren die aangeboren zijn (aanleg/genen) de aard van
het beestje.
2. Nurture -> factoren die aangeleerd zijn. Door sociale omgeving
opvoeden. (De mens is maakbaar).
3. Rijping-> je kunt pas bepaald gedrag vertonen als je daar klaar
voor bent. Veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld
worden en waarop omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
(Lezen kan pas vanaf groep 3 geleerd worden daarvoor is het brein
nog niet genoeg gerijpt.
Verloopt ontwikkeling via een continu of discontinue proces?
Continue verandering -> geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op
een bepaald niveau voortvloeien uit die van het vorige niveau. Continue
verandering is kwantitatief.
Discontinue verandering -> ontwikkeling in aparte of stadia elk stadium
levert gedrag op dat kwalitatief anders is dan gedrag in een eerder stadia.
Psychosociaal functioneren -> hoe iemand functioneert in relatie tot
anderen.
Psyche -> geest, ons denken voelen en gedrag.
Sociaal -> onze interactie met andere mensen.
Wij ontwikkelen op psychosociaal gebied als onze relatie met onze sociale
wereld verandert en wanneer onze ideeën veranderen over onszelf.
Mensen doorlopen 8 levensfasen (babytijd tot ouderdom) Erik Erikson.
Iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die
typisch is voor die fase. Het zijn verwachtingen die de maatschappij en
daarmee onze omgeving heeft van ons die ook te maken hebben met onze
lichamelijke en cognitieve vermogens. Tijdens het doorgaan van zon crisis
voel jij je heen en weer geslingerd tussen twee uiterste. Pas als wij de voor
onze levensfase typische crisis hebben opgelost dan sluiten wij hem af en
zijn we toe aan de volgende. Komen wij er niet uit dan loopt onze psygo
sociale ontwikkeling vast.
Babytijd 0-1,5 - vertrouwen versus wantrouwen
, De taak in de eerste levensfase is het ontwikkelen van het gevoel van
vertrouwen in anderen. Dit gevoel groeit wanneer de verzorgers voor de
baby zorgen. Als een baby opgroeit in deze omstandigheden dan
ontwikkelt hij zich tot een kind dat zich op zijn gemak voelt in nieuwe
situaties. Als het de ouders niet lukt om hun baby veiligheid, geborgenheid
en verzorging te bieden dan zal hij geen vertrouwen in zijn sociale wereld
krijgen. Hij zal dan ook problemen ervaren bij het oplossen van de
volgende ontwikkelingstaken.
Peuter 1,5 – 3 – autonomie versus schaamte en twijfel
De ontwikkeling van zelfstandigheid staat centraal, als het kind in de
eerste fase genoeg vertrouwen heeft gekregen in zijn sociale omgeving
dan zou hij nu op onderzoek willen gaan. Ouders die hun kinderen de
vrijheid geven deze dingen uit te proberen door hem tot zekere hoogte
fouten te laten maken en vies te laten worden stimuleren de ontwikkeling
van een gevoel van autonomie en zelfbeschikking. Het is dus erg
belangrijk dat het kind zelf keuzes mag maken en zijn eigen grenzen leert
kennen. Als ouders hun kind hierin beperken, door te veel kritiek te geven
of overmatig te beschermen, zal het schaamt gaan ervaren en aan zichzelf
gaan twijfelen.
Kleuter 3-6 initiatief versus schuldgevoel
Dit is de levensfase waarin het geweten gevormd wordt. Zodra een kind
vertrouwen en autonomie heeft ontwikkeld, zal het steeds vaker
activiteiten uit zichzelf starten ipv reageren op anderen. In deze fase willen
kinderen alles zelf doen. Als ouder hoef je niet alles te accepteren maar te
veel correctie en straf leidt tot schuldgevoel. Wanneer ouders te hogen
eisen stellen zal het kind zich te kort voelen schieten en niet meer zelf
beslissingen durven nemen.
Schoolkind 6 – puberteit vlijt versus minderwaardigheid
Kind gaat ontdekken waar hij goed in is, succesvolle pogingen lijden tot
gevoel van competitie (vlijt). Als het kind ook nog wordt aangemoedigd
door andere ontwikkelt het zelfvertrouwen en gevoel dat het de moeite
waard is. Is zijn omgeving te negatief of wordt het kind overvraagd dan zal
hij minderwaardig gaan voelen en een laag zelfbeeld krijgen.
Adolescentie 12 – (geen eindtijd verschilt per persoon) identiteit
versus rolverwarring
Het vormen van een eigen identiteit. Door de behoefte aan zelfstandigheid
verandert de relatie met de ouders. De adolescent gaat zich langzaam van
hen losmaken. Dat geeft aanleiding tot identiteit vragen <- wie ben ik?
Belangrijk is dat de sociale omgeving het streven naar onafhankelijkheid
Les 1
Hoofdstuk 12 psychosociale ontwikkeling – hoofdstuk 14 identiteit.
Identiteit -> combinatie van essentiële psychische kwaliteiten die de
persoon typeren en onderscheidbaar maken.
Uniciteit -> jij bent uniek, je identiteit is wat jou onderscheidt van
anderen.
Continuïteit -> je identiteit loopt als een rode draad door je leven, een
rode draad die zorgt voor een voortgang die ononderbroken.
Ontwikkeling -> proces van groei en verandering dat wordt bepaald door
de interactie tussen erfelijkheid en omgeving.
Intrinsiek samenhangende eenheid -> mensen brengen
gebeurtenissen en keuzes in hun leven in verband dat ze er een eigen
verhaal met betekenis van kunnen maken. De betekenis heeft te maken
met de samenhang die ze erin zien.
Narrativiteit -> de verhalende manier van betekenis geven.
Volgens Paul Verhaeghe heeft identiteit meer te maken met worden dan
met zijn. Identiteit veranderd steeds. Je erft gerichtheid en mogelijkheden
hoe dat verder gaat hangt af van de omgeving. De ontwikkeling van
identiteit hangt dus af van de omgeving en die mensen die daarin tot
voorbeeld zijn.
Volgens Bosma in Slot & Van Aken is identiteitsontwikkeling tweedelig. Er
is identificatie en verzet. Identificatie -> rolmodellen die je aanspreken,
die richting wil ik mij ontwikkelen, eigenschappen en waarde die je
toevoegt aan jezelf. Verzet -> besef dat je juist niet zo wil zijn, je maakt je
los van invloeden die niet bij jou horen. Dit gebeurt in de adolescentie.
Deze fase is volgens Erikson heel bepalend voor je identiteit. Je gaat je
verbinden aan waarde en overtuigingen, beroepskeuze, seksuele
identiteit, interesses en religie etc. <- Erikson noemt dit commitments.
Adolescentie -> ontwikkeling naar volwassen zijn.
Psychologie-> wetenschap gedrag en mentale processen.
Ontwikkelingspsychologie -> bestudeerd de psychologische
veranderingen bij toenemende leeftijd.
,Pedagogiek -> de wetenschap van opvoeden.
Opvoeden -> het proces waarin een kind wordt gevormd naar de normen
en waarden van de opvoeders en de samenleving.
Er zijn 3 krachten van ontwikkeling:
1. Nature -> factoren die aangeboren zijn (aanleg/genen) de aard van
het beestje.
2. Nurture -> factoren die aangeleerd zijn. Door sociale omgeving
opvoeden. (De mens is maakbaar).
3. Rijping-> je kunt pas bepaald gedrag vertonen als je daar klaar
voor bent. Veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld
worden en waarop omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
(Lezen kan pas vanaf groep 3 geleerd worden daarvoor is het brein
nog niet genoeg gerijpt.
Verloopt ontwikkeling via een continu of discontinue proces?
Continue verandering -> geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op
een bepaald niveau voortvloeien uit die van het vorige niveau. Continue
verandering is kwantitatief.
Discontinue verandering -> ontwikkeling in aparte of stadia elk stadium
levert gedrag op dat kwalitatief anders is dan gedrag in een eerder stadia.
Psychosociaal functioneren -> hoe iemand functioneert in relatie tot
anderen.
Psyche -> geest, ons denken voelen en gedrag.
Sociaal -> onze interactie met andere mensen.
Wij ontwikkelen op psychosociaal gebied als onze relatie met onze sociale
wereld verandert en wanneer onze ideeën veranderen over onszelf.
Mensen doorlopen 8 levensfasen (babytijd tot ouderdom) Erik Erikson.
Iedere fase wordt afgesloten met een crisis, een ontwikkelingstaak die
typisch is voor die fase. Het zijn verwachtingen die de maatschappij en
daarmee onze omgeving heeft van ons die ook te maken hebben met onze
lichamelijke en cognitieve vermogens. Tijdens het doorgaan van zon crisis
voel jij je heen en weer geslingerd tussen twee uiterste. Pas als wij de voor
onze levensfase typische crisis hebben opgelost dan sluiten wij hem af en
zijn we toe aan de volgende. Komen wij er niet uit dan loopt onze psygo
sociale ontwikkeling vast.
Babytijd 0-1,5 - vertrouwen versus wantrouwen
, De taak in de eerste levensfase is het ontwikkelen van het gevoel van
vertrouwen in anderen. Dit gevoel groeit wanneer de verzorgers voor de
baby zorgen. Als een baby opgroeit in deze omstandigheden dan
ontwikkelt hij zich tot een kind dat zich op zijn gemak voelt in nieuwe
situaties. Als het de ouders niet lukt om hun baby veiligheid, geborgenheid
en verzorging te bieden dan zal hij geen vertrouwen in zijn sociale wereld
krijgen. Hij zal dan ook problemen ervaren bij het oplossen van de
volgende ontwikkelingstaken.
Peuter 1,5 – 3 – autonomie versus schaamte en twijfel
De ontwikkeling van zelfstandigheid staat centraal, als het kind in de
eerste fase genoeg vertrouwen heeft gekregen in zijn sociale omgeving
dan zou hij nu op onderzoek willen gaan. Ouders die hun kinderen de
vrijheid geven deze dingen uit te proberen door hem tot zekere hoogte
fouten te laten maken en vies te laten worden stimuleren de ontwikkeling
van een gevoel van autonomie en zelfbeschikking. Het is dus erg
belangrijk dat het kind zelf keuzes mag maken en zijn eigen grenzen leert
kennen. Als ouders hun kind hierin beperken, door te veel kritiek te geven
of overmatig te beschermen, zal het schaamt gaan ervaren en aan zichzelf
gaan twijfelen.
Kleuter 3-6 initiatief versus schuldgevoel
Dit is de levensfase waarin het geweten gevormd wordt. Zodra een kind
vertrouwen en autonomie heeft ontwikkeld, zal het steeds vaker
activiteiten uit zichzelf starten ipv reageren op anderen. In deze fase willen
kinderen alles zelf doen. Als ouder hoef je niet alles te accepteren maar te
veel correctie en straf leidt tot schuldgevoel. Wanneer ouders te hogen
eisen stellen zal het kind zich te kort voelen schieten en niet meer zelf
beslissingen durven nemen.
Schoolkind 6 – puberteit vlijt versus minderwaardigheid
Kind gaat ontdekken waar hij goed in is, succesvolle pogingen lijden tot
gevoel van competitie (vlijt). Als het kind ook nog wordt aangemoedigd
door andere ontwikkelt het zelfvertrouwen en gevoel dat het de moeite
waard is. Is zijn omgeving te negatief of wordt het kind overvraagd dan zal
hij minderwaardig gaan voelen en een laag zelfbeeld krijgen.
Adolescentie 12 – (geen eindtijd verschilt per persoon) identiteit
versus rolverwarring
Het vormen van een eigen identiteit. Door de behoefte aan zelfstandigheid
verandert de relatie met de ouders. De adolescent gaat zich langzaam van
hen losmaken. Dat geeft aanleiding tot identiteit vragen <- wie ben ik?
Belangrijk is dat de sociale omgeving het streven naar onafhankelijkheid