Kennislijn leerjaar 2 sociale verandering
Les 1 intersectionaliteit
Sociale kwaliteit: de kwaliteit van leven van individuele mensen in
samenwerking met de kwaliteit van hun sociale omgeving. Bestaat uit
sociale inclusie, sociale cohesie, empowerment en sociaal economische
zekerheid. (als het met jouw omgeving goed gaat, heeft dat ook invloed op
jouw welzijn en andersom)
Sociale inclusie: dat iedereen mee mag doen en erbij wordt betrokken.
Waar is de voorwaarde op gericht: Gelijkwaardigheid
Sociale cohesie: dat mensen bij elkaar komen en samen activiteiten
gaan doen. (Bijv. sportschool, festivals, school). Waar is de voorwaarde op
gericht: Solidariteit (verbondenheid)
Sociaal economische zekerheid: voldoende geld voor iedereen om de
basisbehoeften te voorzien door middel van wetgeving (minimumloon),
uitkeringen en een huis. Waar is de voorwaarde op gericht: Sociale
rechtvaardigheid
Empowerment: de mogelijkheid hebben om eigen keuzes te
hebben/maken (we kijken naar krachten) bijv. demonstreren. Waar is de
voorwaarde op gericht: Menselijke waardigheid
Sociologische verbeeldingskracht (Mills): het vermogen om
persoonlijke ervaringen en problemen te verbinden met grotere sociale
structuren. Dus het is het vermogen om het verband te zien tussen
persoonlijke uitdagingen en grotere maatschappelijke vraagstukken, door
te kijken naar hoe zij elkaar beïnvloeden. (voorbeelden: obesitas bij
kinderen/ bij armoede dat je niet alleen naar de persoon zelf kijkt, maar
ook naar de omgeving en wetgeving bijvoorbeeld)
Intersectioneel denken/intersectionaliteit/kruispuntdenken: een
manier van denken over verschil die vertrekt vanuit de samenhang van
kenmerken die mensen en groepen doen verschillen van elkaar. Mensen
krijgen een maatschappelijke positie aangewezen aan de hand van
deelidentiteiten: gender, etniciteit, klasse, nationaliteit, seksualiteit etc.
De deelidentiteiten kunnen iemand privilege geven, maar kan ook
discriminatie zijn. Het gaat over een kruising van 2 of meer
deelidentiteiten.
Verband tussen sociologische verbeeldingskracht en
intersectioneel denken: je kijkt dieper naar de mens zelf als je door de
intersectionele bril kan kijken. Je kijkt niet alleen naar jezelf maar ook naar
het maatschappelijke probleem. Welke delen van iemands deelidentiteit
hebben invloed op jouw kans op bijvoorbeeld een huis. Je zoomt dus nog
meer in op de persoon in een bepaalde context.
, Deelidentiteiten: de verschillende sociale rollen die bijdragen aan je
algehele identiteit zoals je gender, seksuele oriëntatie, afkomst, opleiding,
sociaal economische zekerheid of persoonlijkheidskenmerken.
Les 2 sociale ongelijkheid
Sociaal bewustzijn: weten (bewustzijn) hoe de samenleving (het sociale)
volgens jou in elkaar zit en wat jouw plaats daarin is. Bewustwording van
je sociale positie (en die van anderen) in de samenleving:
- Is bepaald door: (sub)cultuur en historie (generatie op generatie/
migratie/ geloof/ slavernij/ racisme
- Verschillende deelidentiteiten (kruispuntdenken)
- Het beïnvloedt jouw definitie van de situatie en je gedrag
- Helpt om inzicht te hebben in je eigen positie t.o.v. anderen
Sociale ongelijkheid: verschillen in macht en daarmee verbonden
privileges. Dus een ongelijke verdeling van macht, gezondheid, kansen,
inkomen, kennis, geld en privileges in de samenleving. (metafoor hoog-
laag: hiërarchische sociale verschillen)
- Onderwijs: niet iedereen heeft gelijke kansen in het onderwijs.
Kinderen uit gezinnen met een lager inkomen krijgen bijvoorbeeld
minder snel extra steun of recht op een hoger onderwijsniveau, wat
een kansen later beperkt.
- Zorg: mensen met minder inkomen, een lager opleidingsniveau of
een migratieachtergrond krijgen vaak minder goede toegang tot
zorg, ervaren gezondheidsachterstanden en hebben meer moeite
hun weg te vinden in het zorgsysteem.
- Klimaat: kwetsbare groepen (armen, ouderen, migranten) worden
harder getroffen door klimaatproblemen (hittegolven, slechte
luchtkwaliteit, overstromingen), terwijl rijkere groepen meer
middelen hebben om zich te beschermen of te verhuizen.
Sociaal bewustzijn: weten (bewustzijn) hoe de samenleving (het sociale)
volgens jou in elkaar zit en wat jouw plaats daarin is.
Meritocratisering/meritocratie: het idee dat maatschappelijke posities
bepaald worden door individuele verdiensten (talent, inzet, prestaties) in
plaats van afkomst, rijkdom of status. Het begint met gelijke kansen in het
onderwijs. Het is eigenlijk een soort ideaalbeeld, wat eigenlijk niet
haalbaar en realistisch is.
Sociale mobiliteit: iedere verandering in de sociale positie van een
individu of groep. Veranderingen in de sociale positie van individuen of
groepen die belangrijke wijzigingen in het sociale milieu en de
levensomstandigheden betrokkenen inhouden
- Sociale positie: de plaats die iemand inneemt in de samenleving,
bijvoorbeeld qua werk, inkomen, opleiding of status.
- Maatschappelijke ladder: een metafoor voor de hiërarchie in de
samenleving -> hogerop komen of dalen. Je kan hogerop komen
Les 1 intersectionaliteit
Sociale kwaliteit: de kwaliteit van leven van individuele mensen in
samenwerking met de kwaliteit van hun sociale omgeving. Bestaat uit
sociale inclusie, sociale cohesie, empowerment en sociaal economische
zekerheid. (als het met jouw omgeving goed gaat, heeft dat ook invloed op
jouw welzijn en andersom)
Sociale inclusie: dat iedereen mee mag doen en erbij wordt betrokken.
Waar is de voorwaarde op gericht: Gelijkwaardigheid
Sociale cohesie: dat mensen bij elkaar komen en samen activiteiten
gaan doen. (Bijv. sportschool, festivals, school). Waar is de voorwaarde op
gericht: Solidariteit (verbondenheid)
Sociaal economische zekerheid: voldoende geld voor iedereen om de
basisbehoeften te voorzien door middel van wetgeving (minimumloon),
uitkeringen en een huis. Waar is de voorwaarde op gericht: Sociale
rechtvaardigheid
Empowerment: de mogelijkheid hebben om eigen keuzes te
hebben/maken (we kijken naar krachten) bijv. demonstreren. Waar is de
voorwaarde op gericht: Menselijke waardigheid
Sociologische verbeeldingskracht (Mills): het vermogen om
persoonlijke ervaringen en problemen te verbinden met grotere sociale
structuren. Dus het is het vermogen om het verband te zien tussen
persoonlijke uitdagingen en grotere maatschappelijke vraagstukken, door
te kijken naar hoe zij elkaar beïnvloeden. (voorbeelden: obesitas bij
kinderen/ bij armoede dat je niet alleen naar de persoon zelf kijkt, maar
ook naar de omgeving en wetgeving bijvoorbeeld)
Intersectioneel denken/intersectionaliteit/kruispuntdenken: een
manier van denken over verschil die vertrekt vanuit de samenhang van
kenmerken die mensen en groepen doen verschillen van elkaar. Mensen
krijgen een maatschappelijke positie aangewezen aan de hand van
deelidentiteiten: gender, etniciteit, klasse, nationaliteit, seksualiteit etc.
De deelidentiteiten kunnen iemand privilege geven, maar kan ook
discriminatie zijn. Het gaat over een kruising van 2 of meer
deelidentiteiten.
Verband tussen sociologische verbeeldingskracht en
intersectioneel denken: je kijkt dieper naar de mens zelf als je door de
intersectionele bril kan kijken. Je kijkt niet alleen naar jezelf maar ook naar
het maatschappelijke probleem. Welke delen van iemands deelidentiteit
hebben invloed op jouw kans op bijvoorbeeld een huis. Je zoomt dus nog
meer in op de persoon in een bepaalde context.
, Deelidentiteiten: de verschillende sociale rollen die bijdragen aan je
algehele identiteit zoals je gender, seksuele oriëntatie, afkomst, opleiding,
sociaal economische zekerheid of persoonlijkheidskenmerken.
Les 2 sociale ongelijkheid
Sociaal bewustzijn: weten (bewustzijn) hoe de samenleving (het sociale)
volgens jou in elkaar zit en wat jouw plaats daarin is. Bewustwording van
je sociale positie (en die van anderen) in de samenleving:
- Is bepaald door: (sub)cultuur en historie (generatie op generatie/
migratie/ geloof/ slavernij/ racisme
- Verschillende deelidentiteiten (kruispuntdenken)
- Het beïnvloedt jouw definitie van de situatie en je gedrag
- Helpt om inzicht te hebben in je eigen positie t.o.v. anderen
Sociale ongelijkheid: verschillen in macht en daarmee verbonden
privileges. Dus een ongelijke verdeling van macht, gezondheid, kansen,
inkomen, kennis, geld en privileges in de samenleving. (metafoor hoog-
laag: hiërarchische sociale verschillen)
- Onderwijs: niet iedereen heeft gelijke kansen in het onderwijs.
Kinderen uit gezinnen met een lager inkomen krijgen bijvoorbeeld
minder snel extra steun of recht op een hoger onderwijsniveau, wat
een kansen later beperkt.
- Zorg: mensen met minder inkomen, een lager opleidingsniveau of
een migratieachtergrond krijgen vaak minder goede toegang tot
zorg, ervaren gezondheidsachterstanden en hebben meer moeite
hun weg te vinden in het zorgsysteem.
- Klimaat: kwetsbare groepen (armen, ouderen, migranten) worden
harder getroffen door klimaatproblemen (hittegolven, slechte
luchtkwaliteit, overstromingen), terwijl rijkere groepen meer
middelen hebben om zich te beschermen of te verhuizen.
Sociaal bewustzijn: weten (bewustzijn) hoe de samenleving (het sociale)
volgens jou in elkaar zit en wat jouw plaats daarin is.
Meritocratisering/meritocratie: het idee dat maatschappelijke posities
bepaald worden door individuele verdiensten (talent, inzet, prestaties) in
plaats van afkomst, rijkdom of status. Het begint met gelijke kansen in het
onderwijs. Het is eigenlijk een soort ideaalbeeld, wat eigenlijk niet
haalbaar en realistisch is.
Sociale mobiliteit: iedere verandering in de sociale positie van een
individu of groep. Veranderingen in de sociale positie van individuen of
groepen die belangrijke wijzigingen in het sociale milieu en de
levensomstandigheden betrokkenen inhouden
- Sociale positie: de plaats die iemand inneemt in de samenleving,
bijvoorbeeld qua werk, inkomen, opleiding of status.
- Maatschappelijke ladder: een metafoor voor de hiërarchie in de
samenleving -> hogerop komen of dalen. Je kan hogerop komen