Thematoets 9- Jonge kind (2025-2026)
Drama
Piada= Vrij spel
Ludus= Spel met regels
Mediaton= volwassende in het spel
Ontwikkeling van rollenspel:
1. Symbolisch spel
Het kind gebruikt voorwerpen of handelingen alsof ze iets anders zijn
(bijvoorbeeld een blokje als telefoon). Het spel draait vooral om fantasie, nog
zonder vaste rollen.
2. Rolgebonden handelen
Het kind bootst herkenbaar gedrag van volwassenen na (zoals papa, mama
of dokter), maar zonder echt samenhangend verhaal. De handelingen horen
duidelijk bij één rol.
3. Eenvoudig rollenspel
Het kind speelt een eenvoudige rol en kan deze kort volhouden. Er is een
begin van een verhaallijn en soms samenspel met anderen, maar het spel
blijft nog eenvoudig.
4. Uitgebreid rollenspel
Het spel heeft meerdere rollen, een duidelijk verhaal en langere spelduren.
Kinderen overleggen, verdelen rollen en spelen situaties uit met meer detail.
5. Realistisch rollenspel
Het spel lijkt sterk op de werkelijkheid. Kinderen spelen complexe situaties
na, gebruiken passend taalgebruik en houden rekening met regels en
perspectieven van anderen.
Ontwikkeling van samenspelen:
1. Niets doen
Het kind is aanwezig, maar speelt niet. Het observeert de omgeving zonder
actief met speelgoed of andere kinderen bezig te zijn.
2. Solospel
Het kind speelt alleen met materiaal en is niet bezig met andere kinderen.
Het spel is gericht op eigen ontdekking en plezier.
, 3. Toekijken
Het kind kijkt naar spelende kinderen en toont interesse, maar doet zelf nog
niet mee. Dit is vaak een voorbereidende fase voor samenspelen.
4. Parallelspel
Kinderen spelen naast elkaar met hetzelfde of vergelijkbaar materiaal, maar
zonder echt contact of samenwerking.
5. Associatiespel
Kinderen spelen samen en hebben contact, wisselen materiaal of ideeën uit,
maar er zijn nog weinig afspraken of vaste rollen.
6. Coöperatief spel
Kinderen spelen echt samen met een gezamenlijk doel. Er zijn afspraken,
rolverdelingen en samenwerking binnen het spel.
Nederlands
Model van begrijpen van de tekst:
1. Vloeiend lezen
Om een tekst te begrijpen moet een lezer als eerste vlot technische kunnen lezen.
Het start met het onderscheiden van klanken in woorden.
2. Taal
Beheersing van de taal is ook een factor die het begrijpen van een tekst beïnvloed.
3. Kennis
De derde factor betreft de kennis die je hebt over het onderwerp van de tekst.
4. Metacognitie
De vierde factor gaat over de mate waarin de lezen zijn leerproces kan monitoren.
Tekstgericht vragen in drie sessies
Sessie 1: wat zegt de tekst?
De eerste sessie staat het algemeen begrip van de tekst centraal. Deze sessie is
erop gericht dat leerlingen bijvoorbeeld een grote lijnen kunnen navertellen.
Sessie 2: Hoe wordt het in de tekst gezegd?
De tweede sessie is de brug tussen de eerste en de derde sesie. Deze sessie is
vooral gericht op het letterlijk begrip van de tekst. De tekstgericht vragen kunnen
betrekking hebben op drie onderdelen: belangrijke details, woordenschat en of de
tekststructuur,
Tekststructuur verschillend:
Drama
Piada= Vrij spel
Ludus= Spel met regels
Mediaton= volwassende in het spel
Ontwikkeling van rollenspel:
1. Symbolisch spel
Het kind gebruikt voorwerpen of handelingen alsof ze iets anders zijn
(bijvoorbeeld een blokje als telefoon). Het spel draait vooral om fantasie, nog
zonder vaste rollen.
2. Rolgebonden handelen
Het kind bootst herkenbaar gedrag van volwassenen na (zoals papa, mama
of dokter), maar zonder echt samenhangend verhaal. De handelingen horen
duidelijk bij één rol.
3. Eenvoudig rollenspel
Het kind speelt een eenvoudige rol en kan deze kort volhouden. Er is een
begin van een verhaallijn en soms samenspel met anderen, maar het spel
blijft nog eenvoudig.
4. Uitgebreid rollenspel
Het spel heeft meerdere rollen, een duidelijk verhaal en langere spelduren.
Kinderen overleggen, verdelen rollen en spelen situaties uit met meer detail.
5. Realistisch rollenspel
Het spel lijkt sterk op de werkelijkheid. Kinderen spelen complexe situaties
na, gebruiken passend taalgebruik en houden rekening met regels en
perspectieven van anderen.
Ontwikkeling van samenspelen:
1. Niets doen
Het kind is aanwezig, maar speelt niet. Het observeert de omgeving zonder
actief met speelgoed of andere kinderen bezig te zijn.
2. Solospel
Het kind speelt alleen met materiaal en is niet bezig met andere kinderen.
Het spel is gericht op eigen ontdekking en plezier.
, 3. Toekijken
Het kind kijkt naar spelende kinderen en toont interesse, maar doet zelf nog
niet mee. Dit is vaak een voorbereidende fase voor samenspelen.
4. Parallelspel
Kinderen spelen naast elkaar met hetzelfde of vergelijkbaar materiaal, maar
zonder echt contact of samenwerking.
5. Associatiespel
Kinderen spelen samen en hebben contact, wisselen materiaal of ideeën uit,
maar er zijn nog weinig afspraken of vaste rollen.
6. Coöperatief spel
Kinderen spelen echt samen met een gezamenlijk doel. Er zijn afspraken,
rolverdelingen en samenwerking binnen het spel.
Nederlands
Model van begrijpen van de tekst:
1. Vloeiend lezen
Om een tekst te begrijpen moet een lezer als eerste vlot technische kunnen lezen.
Het start met het onderscheiden van klanken in woorden.
2. Taal
Beheersing van de taal is ook een factor die het begrijpen van een tekst beïnvloed.
3. Kennis
De derde factor betreft de kennis die je hebt over het onderwerp van de tekst.
4. Metacognitie
De vierde factor gaat over de mate waarin de lezen zijn leerproces kan monitoren.
Tekstgericht vragen in drie sessies
Sessie 1: wat zegt de tekst?
De eerste sessie staat het algemeen begrip van de tekst centraal. Deze sessie is
erop gericht dat leerlingen bijvoorbeeld een grote lijnen kunnen navertellen.
Sessie 2: Hoe wordt het in de tekst gezegd?
De tweede sessie is de brug tussen de eerste en de derde sesie. Deze sessie is
vooral gericht op het letterlijk begrip van de tekst. De tekstgericht vragen kunnen
betrekking hebben op drie onderdelen: belangrijke details, woordenschat en of de
tekststructuur,
Tekststructuur verschillend: