Medewerker
Thema 6, 11, 12, 14, 16, 19.3 en 20.5
Onderdeel: Coördineren en Afstemmen
Hoofdstuk 6 – Culturele diversiteit en communicaAe
Culturele diversiteit
Culturele diversiteit betekent de variatie van culturen binnen een samenleving.
Factoren die culturele verschillen bepalen:
• Ras
• Taal
• Religie
• Uiterlijke kenmerken
• Nationaliteit
Migranten: Mensen die zich vanuit een ander land vestigen in Nederland.
Etniciteit: De sociaal-culturele identiteit die mensen als groep met elkaar verbindt.
Westerse landen:
• Europa (uitgezonderd Turkije)
• Noord-Amerika
• Oceanië
• Indonesië
• Japan
Niet-westerse landen:
• Turkije
• Afrika
• Latijns-Amerika
• Azië (uitgezonderd Japan en Indonesië)
Imago: Het beeld dat anderen van je hebben.
, Het ijsbergmodel van McClelland
Dit model laat zien dat slechts een klein deel van gedrag zichtbaar is.
1. Boven water: Kennis en vaardigheden (zichtbaar gedrag)
2. Net onder water: Normen, waarden en wat iemand belangrijk vindt
3. Diep onder water: Persoonlijke eigenschappen en motieven
Discrimina7e en vooroordelen
• Discriminatie: Ongelijk behandelen op basis van geslacht, leeftijd, geloof of afkomst.
• Generaliseren: Oordelen over een hele groep op basis van één persoon of incident.
Culturen volgens David Pinto
• Fijnmazige culturen: Veel regels en sociale controle (vaak niet-westers)
• Grofmazige culturen: Minder regels en meer vrijheid (vaak westers)
Culturele synergie: Het combineren van sterke kanten van verschillende culturen om samen
een goed resultaat te bereiken.
Interculturele communicatie: Communicatie tussen mensen uit verschillende culturen.
Dialoog: Communicatie tussen twee personen of partijen.
Driestappenmethode (DSM) van David Pinto
1. Zelfkennis
2. Kennis van de ander
3. Conclusies trekken voor communicatie en omgang
Vier visies van MacNaughton
1. Iedereen is hetzelfde
2. Speciale behoeften en aanpassing
3. Jij bent anders dan ik
4. Gelijke kansen
Cultuurmodel van Geert Hofstede
1. Individualisme vs. Collectivisme
• Individualisme: Ouders bemoeien zich meer en geven sneller kritiek
• Collectivisme: Ouders bemoeien zich minder en verwachten minder betrokkenheid
2. Grote vs. kleine machtafstand