Samenvatting
Onderwerp: 1 woord, of woordgroep die aangeeft waar de tekst over gaat (zo kort mogelijk).
Hoofdgedachte: Zin die aangeeft waar de tekst over gaat (geen vraag!).
Tekstdoelen:
Amuseren: vermaken (leuk, spannend)
Informeren: uitleg, beschrijving
Opiniëren: aan het denken zetten, zelf een mening laten vormen
Overtuigen: publiek een bepaalde mening laten overnemen
Activeren: publiek aanzetten iets te doen
Titel:
Informerende titel: Geeft aan waarover de tekst gaat.
Motiverende titel: Maakt de lezer nieuwsgierig naar de tekst.
Deelonderwerp: onderwerp van 1 of meerdere alinea’s (vaak als vraag)
Tekststructuren:
Argumentatiestructuur:
Inleiding: stelling, standpunt (eventueel als vraag)
Middenstuk: argumenten voor het stelling
Slot: tegenargumenten, herhaling stelling
Aspectenstructuur:
Inleiding: aankondiging onderwerp
Middenstuk: diverse aspecten van het onderwerp
Slot: samenvatting (maar niet altijd)
Probleem-oplossingsstructuur:
Inleiding: probleem
Middenstuk: gevolgen (waardoor is het een probleem)
Slot: oorzaken, oplossingen, de beste oplossing