Criminologie
Samenvatting Basisboek criminologie, kennisclips & Powerpoints
Werkcollege 1: criminologie
Criminologie: wetenschap die criminaliteit vanuit verschillende invalshoeken benadert.
- Doel: weten hoe criminaliteit werkt.
- Kennis uit: psychiatrie, geneeskunde, sociologie, psychologie, rechtswetenschappen,
antropologie, politicologie, biologie, economie, bestuurskunde.
- Kan gericht zijn op: criminaliteit als verschijnsel, persoon van de misdadiger,
slachtoffer, plek binnen het politieke systeem (radicale criminologie), reacties
(preventief of repressief), interventies.
- Sutherland (1924): “criminologie is het geheel van kennis over criminaliteit als een
sociaal fenomeen, inclusief binnen zijn reikwijdte het proces van het maken en
overtreden van wetten, en de reactie op het overtreden van wetten.”
- Cohen (1988): “waarom worden wetten gemaakt; waarom worden ze overtreden en
wat doen we daar aan of zouden we daaraan moeten doen?”
- Lippens (2009): “waarom veranderen de definities van criminaliteit door de tijd;
waarom wordt specifiek gedrag of zelfs hele bevolkingsgroepen gecriminaliseerd;
waarom overtreden mensen normen; waaronder juridische, en wat moeten we doen
met overtreders?”
Criminaliteit: sociaal construct → datgene waarvan wij zeggen dat iets crimineel is. Iemand
wordt gelabeld als crimineel omdat wij hem zo zien.
- Criminalisering en decriminalisering: dingen (il)legaal maken.
Criminaliteit meten: lastig (dark number). 3 hoofdvormen om te meten:
I. Zelfrapportage: vragen of iemand weleens dader is geweest.
- Hoe heftiger het delict, hoe eerder wordt verzwegen.
II. Slachtofferenquêtes: vragen of iemand weleens slachtoffer is geweest.
- Doet niet iedereen graag: vaak schaamte.
- Veel criminaliteit zonder slachtoffer.
III. Politiecijfers: getallen van de politie door observaties en aangiftes.
- Niet ieder delict is bekend bij de politie.
- Niet ieder delict dat de politie weet, wordt opgeschreven.
- Brengdelict: aangifte doen → aangiftebereidheid.
- Haaldelict: politie moet onderzoek gaan doen → hoog dark number.
1
, Outsiders (Becker):
- Deviantie (afwijkend gedrag): is niet inherent, maar wordt bestempeld door de
samenleving.
- Deviantie is een sociaal label.
- Moral entrepreneurs: proberen nieuwe normen te vestigen of bestaande normen te
versterken.
- Mensen die gelabeld zijn, zijn deviant en plaatsen zich buiten de maatschappelijke
normen. Dit kan leiden tot subculturen waarin afwijkend gedrag normaal is.
Constructivisme (Becker): wij zien mensen die sociale regels overtreden als anders
(outsiders) → criminologisch proces.
- Verschillende samenlevingen zien verschillende dingen als deviant.
- Verschillende groepen in een samenleving zien verschillende dingen als deviant.
- Daders zien hun eigen gedrag soms als deviant, maar soms helemaal niet.
Gedragingen zijn niet crimineel, ze worden door mensen crimineel gemaakt.
Klassieke school: het individu is met rede begaafd, en dus bekwaam om het eigen lot in
handen te nemen met betrekking op het uitvoeren van criminele activiteiten (Montesquieu:
trias politica. Rousseau: sociaal contract). Beccaria: individu moet zo min mogelijk gehinderd
worden door het recht, geen misdrijf is geen straf zonder voorafgaand wettelijke
strafbaarstelling.
Italiaanse school: criminaliteit was aangeboren en maakte gebruik van
natuurwetenschappelijke methode om dit te bewijzen. Lombroso: dikke wenkbrauwen en
een asymmetrisch gezicht waren de biologische kenmerken van een persoon die delinquent
gedrag vertoont. Frenologie: een crimineel is te herkennen aan de vorm en afmeting van de
schedel.
Franse school: sterk tegen de Italiaanse school. Zij zagen voornamelijk de omgeving als
hoofdoorzaak van crimineel gedrag. Het sociale milieu waarin een individu opgroeit is
doorslaggevend of een persoon een crimineel is of niet. Lacassagne: elke maatschappij
heeft de criminaliteit die ze verdient, de maatschappij is namelijk het sociale milieu van de
mens.
Werkcollege 2: leertheorieën
Klassieke conditionering: gaat om de associatie die, gewild of ongewild, door de omgeving
wordt gelegd tussen stimuli. Bijvoorbeeld: je begint te saliveren als je iemand een frietje ziet
eten → ongeconditioneerde stimulus en ongeconditioneerde respons. Combineren met iets
neutraals → geconditioneerde stimulus.
Operante conditionering: doelgericht aanleren van gedrag door middel van bestraffen
(straffen en belonen).
- Bekrachtiging: maakt het aannemelijker dat je iets nogmaals zal doen.
- Positieve bekrachtiging: het toevoegen van een stimulus.
- Negatieve bekrachtiging: het wegnemen van een stimulus.
- Straf: maakt het aannemelijker dat je iets niet nogmaals zal doen.
2
Samenvatting Basisboek criminologie, kennisclips & Powerpoints
Werkcollege 1: criminologie
Criminologie: wetenschap die criminaliteit vanuit verschillende invalshoeken benadert.
- Doel: weten hoe criminaliteit werkt.
- Kennis uit: psychiatrie, geneeskunde, sociologie, psychologie, rechtswetenschappen,
antropologie, politicologie, biologie, economie, bestuurskunde.
- Kan gericht zijn op: criminaliteit als verschijnsel, persoon van de misdadiger,
slachtoffer, plek binnen het politieke systeem (radicale criminologie), reacties
(preventief of repressief), interventies.
- Sutherland (1924): “criminologie is het geheel van kennis over criminaliteit als een
sociaal fenomeen, inclusief binnen zijn reikwijdte het proces van het maken en
overtreden van wetten, en de reactie op het overtreden van wetten.”
- Cohen (1988): “waarom worden wetten gemaakt; waarom worden ze overtreden en
wat doen we daar aan of zouden we daaraan moeten doen?”
- Lippens (2009): “waarom veranderen de definities van criminaliteit door de tijd;
waarom wordt specifiek gedrag of zelfs hele bevolkingsgroepen gecriminaliseerd;
waarom overtreden mensen normen; waaronder juridische, en wat moeten we doen
met overtreders?”
Criminaliteit: sociaal construct → datgene waarvan wij zeggen dat iets crimineel is. Iemand
wordt gelabeld als crimineel omdat wij hem zo zien.
- Criminalisering en decriminalisering: dingen (il)legaal maken.
Criminaliteit meten: lastig (dark number). 3 hoofdvormen om te meten:
I. Zelfrapportage: vragen of iemand weleens dader is geweest.
- Hoe heftiger het delict, hoe eerder wordt verzwegen.
II. Slachtofferenquêtes: vragen of iemand weleens slachtoffer is geweest.
- Doet niet iedereen graag: vaak schaamte.
- Veel criminaliteit zonder slachtoffer.
III. Politiecijfers: getallen van de politie door observaties en aangiftes.
- Niet ieder delict is bekend bij de politie.
- Niet ieder delict dat de politie weet, wordt opgeschreven.
- Brengdelict: aangifte doen → aangiftebereidheid.
- Haaldelict: politie moet onderzoek gaan doen → hoog dark number.
1
, Outsiders (Becker):
- Deviantie (afwijkend gedrag): is niet inherent, maar wordt bestempeld door de
samenleving.
- Deviantie is een sociaal label.
- Moral entrepreneurs: proberen nieuwe normen te vestigen of bestaande normen te
versterken.
- Mensen die gelabeld zijn, zijn deviant en plaatsen zich buiten de maatschappelijke
normen. Dit kan leiden tot subculturen waarin afwijkend gedrag normaal is.
Constructivisme (Becker): wij zien mensen die sociale regels overtreden als anders
(outsiders) → criminologisch proces.
- Verschillende samenlevingen zien verschillende dingen als deviant.
- Verschillende groepen in een samenleving zien verschillende dingen als deviant.
- Daders zien hun eigen gedrag soms als deviant, maar soms helemaal niet.
Gedragingen zijn niet crimineel, ze worden door mensen crimineel gemaakt.
Klassieke school: het individu is met rede begaafd, en dus bekwaam om het eigen lot in
handen te nemen met betrekking op het uitvoeren van criminele activiteiten (Montesquieu:
trias politica. Rousseau: sociaal contract). Beccaria: individu moet zo min mogelijk gehinderd
worden door het recht, geen misdrijf is geen straf zonder voorafgaand wettelijke
strafbaarstelling.
Italiaanse school: criminaliteit was aangeboren en maakte gebruik van
natuurwetenschappelijke methode om dit te bewijzen. Lombroso: dikke wenkbrauwen en
een asymmetrisch gezicht waren de biologische kenmerken van een persoon die delinquent
gedrag vertoont. Frenologie: een crimineel is te herkennen aan de vorm en afmeting van de
schedel.
Franse school: sterk tegen de Italiaanse school. Zij zagen voornamelijk de omgeving als
hoofdoorzaak van crimineel gedrag. Het sociale milieu waarin een individu opgroeit is
doorslaggevend of een persoon een crimineel is of niet. Lacassagne: elke maatschappij
heeft de criminaliteit die ze verdient, de maatschappij is namelijk het sociale milieu van de
mens.
Werkcollege 2: leertheorieën
Klassieke conditionering: gaat om de associatie die, gewild of ongewild, door de omgeving
wordt gelegd tussen stimuli. Bijvoorbeeld: je begint te saliveren als je iemand een frietje ziet
eten → ongeconditioneerde stimulus en ongeconditioneerde respons. Combineren met iets
neutraals → geconditioneerde stimulus.
Operante conditionering: doelgericht aanleren van gedrag door middel van bestraffen
(straffen en belonen).
- Bekrachtiging: maakt het aannemelijker dat je iets nogmaals zal doen.
- Positieve bekrachtiging: het toevoegen van een stimulus.
- Negatieve bekrachtiging: het wegnemen van een stimulus.
- Straf: maakt het aannemelijker dat je iets niet nogmaals zal doen.
2