-
01
1. Hypodontie is gebitselementondertal. Deze term geldt ook als het ondertal te danken is aan extracties.
1
-
02
2. Als een temporair gebit solitaire agenesie toont, zijn
1
-
03
3. Van alle aangeboren afwijkingen is agenesie van een of meer gebitselementen de meest frequent voorkomende.
1
-
04
Xa. Juist.
1
-
05
4. De tweede onderpremolaar is vaker afwezig dan de tweede bovenpremolaar.
1
-
06
Xa. Juist
1
-
07
5. Een of meer derde molaren zijn agenetisch bij
1
-
08
Xb. tenminste 10% van de adolescenten.
1
-
09
6. Agenesie van permanente laterale bovensnijtanden is voornamelijk te wijten aan
1
-
10
a. milieufactoren,
1
-
11
Xb. erfelijkheid.
1
-
12
7. Als een laterale bovensnijtand agenetisch is
1
-
13
Xb. valt de temporaire voorganger uit.
1
-
14
8. Bij de bepaling of een gebit al da niet oligodont is, wordt agenesie van derde molaren
1
-
15
9. Een distomolaar is
1
-
16
a. een eutypisch hyperdont element,
1
-
17
10. Een mesiodens is vaak kegeltandvormig, maar kan ook enkele knobbels tonen.
1
-
18
b. onjuist.
1
-
19
11. Con- en neonatale tanden behoren in meerderheid tot
2
-
20
a. de hyperdonte elementen
2
-
21
Xb. het reguliere temporaire gebit.
2
-
22
12. Als twee gebitselementen uitsluitend hun wortelcement gemeenschappelijk hebben, is er sprake van
2
-
23
a. partiële schizodontie.
2
-
24
13. Het extra knobbeltje van dens evaginatus is voornamelijk te vinden
2
-
25
a. op het occlusale vlak van premolaren,
2
-
26
14. Dens invaginatus kan met pulpale problemen gepaard gaan. Dat geldt voor invaginatie
2
-
27
a. Type I,
2
-
28
15. Dilaceratie ontstaat als gevolg van
2
-
29
b. ruimtegebrek.
2
-
30
16. Een T-vormige snijtand ontstaat door
2
-
31
Xa. een hoge uitgroei van het tuberculum dentis,
2
-
32
b. een hoge uitgroei vanaf cervicaal op het labiale vlak.
2
-
33
17. Welk van beide ondergenoemde afwijkingen heeft klinisch nauwelijks of geen consequenties?
2
-
34
Xa. Glazuurparels.
2
-
35
b. Glazuursporen.
2
-
36
18. Wanneer de gebitselementen een normale, gemiddelde grootte hebben, maar de kaken groot zijn, dan wordt gesproken over
2
-
37
Xa. gegeneraliseerde relatieve macrodontie,
2
-
38
b. gegeneraliseerde ware microdontie.
2
-
39
19. De wortels van de permanente centrale bovensnijtanden tonen nog wel eens
2
-
40
Xa. rhizomicrie,
2
-
41
b. rhizomegalie.
2
-
42
20. In geval van taurodontie
2
-
43
a. bestaat een pyramidale wortelvorm,
3
-
44
Xb. ligt de bodem van de pulpakamer ver naar apicaal.
3
-
45
21. Radix entomolaris is
3
-
46
Xa. een linguaal gesitueerde wortel,
3
-
47
b. aan de buccale zijde gelegen.
3
-
48
22. Hypoplasie van het glazuur ontstaat als
3
-
49
Xa. de (glazuur)matrix vorming achterwege blijft,
3
-
50
b. de glazuurmineralisatie in gebreke blijft.
3
-
51
23. Kenmerkend voor congenitale lues is een karakteristieke
3
-
52
Xa. glazuurhypoplasie,
3
-
53
b. glazuurhypocalcificatie.
3
-
54
24. Erythroblastosis fetalis komt tot uiting bij
3
-
55
a. het als eerste geboren kind,
3
-
56
Xb. tweede (en volgende) kind(eren).
3
-
57
25. Glazuurstructuurstoornissen ontstaan door
3
-
58
Xa. rubella van de gravida,
3
-
59
b. mazelen van het kind.
3
-
60
26. Door coeliakie is in de dunne darm de opname verstoord van
3
-
61
Xa. alle voedingsbestanddelen,
3
-
62
b. alleen calcium en vitamine B.
3
-
63
27. Voor vitamine A geldt dat
3
-
64
Xa. een tekort de vorming van predentine en glazuurmatrix remt,
3
-
65
b. teveel geen effect op de tandkiem heeft.
3
-
66
28. Door nierfalen vermindert de calciumopname in de darm en wordt het serumfosfaat verhoogd. Ten gevolge daarvan wordt
3
-
67
a. meer thyroïdhormoon in de schildklier gevormd,
3
-
68
Xb. meer parathormoon in de bijschildklieren gevormd.
3
-
69
29. Als een tekort aan calcium bestaat treft dat in eerste instantie
3
-
70
a. het zich ontwikkelende gebit,
4
-
71
Xb. het zich ontwikkelende skelet.
4
-
72
30. Welk van ondergenoemde aandoeningen kan posteruptief ontstaan?
4
-
73
a. endemische fluorose,
4
-
74
Xb. “crippling fluorosis”.
4
-
75
31. Door een te groot aanbod van fluoride tonen de gebitselementen
4
-
76
a. circumscripte opaciteiten,
4
-
77
Xb. diffuse opaciteiten.
4
-
78
32. Een te groot aanbod van fluoride manifesteert zich vooral in
4
-
79
a. de snijtanden,
4
-
80
Xb. de premolaren.
4
-
81
33. Fluorotisch glazuur bezit een
4
-
82
Xa. lagere oppervlaktehardheid dan normaal glazuur,
4
-
83
b. hogere oppervlaktehardheid dan normaal glazuur.
4
-
84
34.In geval van ernstige fluorose (scores 3 en 4 op de index van Dean) zijn de gebitelementen
4
-
85
a. al voor de doorbraak bruin verkleurd,
4
-
86
Xb. pas na de doorbraak bruin verkleurd.
4
-
87
35. Wanneer men het al nodig acht om additioneel aan het gebruik van fluoride bevattende tandpasta ftevens luoridetabletten voor te schrijven, dan moet die bij voorkeur
4
-
88
Xa. worden opgezogen
4
-
89
b. met melk worden ingenomen,
4
-
90
36. Welk van de twee onderstaande uitspraken ten aanzien van de vroege tetracyclines is juist?
4
-
91
Xa. ze worden al in utero in het temporaire gebit opgenomen.
4
-
92
b. zij bleken wel verkleuring, maar geen glazuurhypoplasie te veroorzaken.
4
-
93
37. Wanneer door diepe cariës in het melkgebit de opvolgers worden geschaad, is dat
4
-
94
a. bij de snijtanden vooral palatinaal,
4
-
95
Xb. de premolaren vooral occlusaal.
4
-
96
38. Bij sikkelcel-anemie is
4
-
97
a. alleen het glazuur hypogecalcificeerd,
4
-
98
Xb. glazuur en dentine hypogecalcificeerd.
4
-
99
39. Bij welk type van amelogenesis imperfecta hereditaria is de radiodensiteit van het glazuur verminderd?
5
-
100
Xa. Hypomatuartieve typen.
5
-
101
b. Hypoplastische typen.
5
-
102
40. De manifestatie van X-gebonden subtypen van amelogenesis imperfecta hereditaria verschilt bij mannen en vrouwen.
5
-
103
Xa. Juist
5
-
104
b. onjuist
5
-
105
41. Bij radiculaire dentine dysplasie (Type I) zijn
5
-
106
a. de kronen kort en bol,
5
-
107
Xb. de wortels (zeer) kort.
5
-
108
42. Bij dentinogenesis imperfecta Type I
5
-
109
Xa. is tevens sprake van osteogenesis imperfecta,
5
-
110
b. is geen sprake van osteogenesis imperfecta.
5
-
111
43. Temporaire “Shell teeth” werden aangetroffen bij
5
-
112
a. dentine dysplasie Type II
5
-
113
Xb. dentinogenesis imperfecta Type III.
5
-
114
44. Voor de vitamine-D-refractaire rachitis geldt dat
5
-
115
Xa. het aanbod van vitamine D normaal is,
5
-
116
b. er geen therapie voor bestaat.
5
-
117
45. Regionale odontodysplasie (“ghost teeth”)
5
-
118
Xa. heeft een onbekende oorzaak,
5
-
119
b. laten weinig röntgenstralen door.
5
-
120
46. De eruptiekracht van het doorbrekende gebitselement wordt geleverd door
5
-
121
a. de wortelgroei,
5
-
122
Xb. het parodontale ligament.
5
-
123
47. Variaties in de doorbraakvolgorde van de permanente gebitselementen komen
5
-
124
Xa. vaker voor in de maxilla dan in mandibula
5
-
125
b. vaker voor in de mandibula dan in maxilla.
5
-
126
48.In het algemeen gesproken is de correlatie tussen skeletleeftijd en gebitsleeftijd
6
-
127
Xa. laag,
6
-
128
b. hoog.
6
-
129
49. Wanneer een melkelement meer dan twee jaar voor zijn normale tijd van wisselen wordt geëxtraheerd,
6
-
130
breekt zijn opvolger
6
-
131
a. vervroegd door,
6
-
132
Xb. vertraagd door.
6
-
133
50. Een vertraagde doorbraak van het melkgebit treedt op bij
6
-
134
Xa. (benigne) ostepetrosis (marmerziekte),
6
-
135
b. infectieziekten met koorts.
6
-
136
51. Het lijkt erop dat in de afgelopen 50-60 jaar het aantal volledig doorgebroken derde molaren is
6
-
137
Xa. teruggelopen,
6
-
138
b. toegenomen.
6
-
139
52. Permanente bovenhoektanden breken
6
-
140
Xa. minder vaak door dan onderhoektanden,
6
-
141
b. vaker door dan onderhoektanden.
6
-
142
53. De behandeling van een ankylotische blijvend element in infra-occlusie bestaat uit
6
-
143
a. orthodontische extrusie,
6
-
144
Xb. kroonverlenging met composiet.
6
-
145
54. Een geroteerd staande premolaar is
6
-
146
Xa. dystopisch,
6
-
147
b. heterotopisch.
6
-
148
55. Als een element zich door de kaak heen over de middenlijn verplaatst, hebben we te maken met
6
-
149
a. transpositie,
6
-
150
Xb. transmigratie.
6
-
151
56. Erosie ontstaat door
6
-
152
a. zwakke zuren door bacteriën in de mond gevormd,
6
-
153
Xb. sterke zuren van buiten de mond afkomstig.
6
-
154
57. De erosieve potentie van een zuur wordt in grotere mate bepaald door de titreerbaarheid dan door zijn pH. Dit is
7
-
155
Xa. juist,
7
-
156
b. onjuist.
7
-
157
58.In verband met erosie verdient ontsmettende behandeling van zwemwater met hypochloriet de voorkeur boven die met chloorgas.
7
-
158
Xa. Juist.
7
-
159
b. Onjuist.
7
-
160
59. Erosie komt tegenwoordig (veel) frequenter voor dan zo’n 30 jaar geleden.
7
-
161
Xa. Juist.
7
-
162
b. Onjuist.
7
-
163
60. Tot de eerste signalen van erosie behoort
7
-
164
a. extra vorming van plaque,
7
-
165
Xb. een glad glazuuroppervlak.
7
-
166
61. De precieze oorzaak van erosie kan betrouwbaar worden afgeleid uit de lokalisatie van de erosieve laesies.
7
-
167
a. Juist.
7
-
168
Xb. Onjuist.
7
-
169
62. Aan patiënten die lijden aan erosie moet worden aangeraden om
7
-
170
a. onmiddellijk na zuurgebruik te poetsen met fluoride bevattende tandpasta,
7
-
171
Xb. de mond direct met zuiveringszout of met melk te spoelen.
7
-
172
63. Hypercementose, apicaal of over de gehele wortellengte, kan ontstaan door parodontale ontsteking.
7
-
173
Xa. Juist
7
-
174
b. Onjuist.
7
-
175
64. Het beginstadium van peri-apicale cementeuze dysplasie wordt gekenmerkt door
7
-
176
Xa. op apicale parodontitis gelijkende radiolucentie(s),
7
-
177
b. op condenserende ostitis gelijkende radiopaciteit(en).
7
-
178
65.In elk permanent gebit komen door vermoedelijk kleine traumata externe wortelresorpties voor. Genezing of progressie ervan hangt af van de grootte van de laesie.
7
-
179
Xa. Juist.
7
-
180
b. Onjuist.
7
-
181
66. Bij voortschrijdende interne resorptie is de pulpa ter plekke van de laesie
8
-
182
Xa. vitaal,
8
-
183
b. avitaal.
8
-
184
67. Bij externe vervangingsresorptie van de wortel is de paradontale ruimte op röntgenfoto’s ter plekke
8
-
185
a. verbreed.
8
-
186
Xb. afwezig.
8
-
187
68. Externe wortelresorptie treedt het frequentste op na
8
-
188
a. contussie,
8
-
189
Xb. intrusie.
8
-
190
69. Na replantatie van een geavulseerd element moet ter voorkoming van externe wortelresorptie gespalkt worden met
8
-
191
a. een stijve spalk,
8
-
192
Xb. een niet-rigide spalk.
8
-
193
70. Een endodontische behandeling is noodzakelijk in geval van
8
-
194
Xa. externe onstekingsresorptie van de wortel,
8
-
195
b. cervicale resorptie.
8
-
196
71. Bij het ouder worden, wordt een steeds groter deel van de wortel vanaf apicaal
8
-
197
Xa. doorzichtiger,
8
-
198
b. minder doorzichtig.
8
-
199
72. De snelheid van approximale gebitsslijtage neemt geleidelijk aan
8
-
200
Xa. af,
8
-
201
b. toe.
8
-
202
73. Premature contacten, bijvoorbeeld door te hoge kronen, tussen boven- en onderelementen leiden tot
8
-
203
a. bruxisme, omdat men deze wil ‘wegkauwen’,
8
-
204
Xb. niet tot bruxisme, zelfs tot een afname ervan.
8
-
205
74. Voor het meten van dentineslijtage door poetsen met tandpasta bestaan verschillende methoden. De rangordeningen van tandpasta’s op grond van hun slijtende werking gemeten met meerdere methoden
8
-
206
a. stemmen vrijwel geheel overeen,
8
-
207
Xb. laten forse afwijkingen zien.
8
-
208
75. Bij rechtshandigen worden wat meer en wat diepere laesies gevonden in de
9
-
209
Xa. linker kaakhelft,
9
-
210
b. rechter kaakhelft.
9
-
211
76. Slijtage door tabak kauwen wordt veroorzaakt door
9
-
212
a. nicotine,
9
-
213
Xb. silicium.
9
-
214
77. Geweld bij kindermishandeling is vaak op de mond gericht tijdens
9
-
215
Xa. emotionele uitbarstingen,
9
-
216
b. weloverwogen geweld.
9
-
217
78. Ter preventie van spontane fracturen
9
-
218
a. moet in een occlusale (of uitgebreidere) restauratie de centrale fissuur diep uitgekerfd worden,
9
-
219
Xb. is een mesio-occlusale en disto-oocclusale restauratie te verkiezen boven één mod restauratie.
9
-
220
79. Bij een ongecompliceerde kroonfractuur
9
-
221
a. is het glazuur wel en het dentine niet betrokken,
9
-
222
Xb. kunnen zowel glazuur als dentine zijn weggebroken.
9
-
223
80. De behandeling van een nog onvolgroeid permanent gebitselement met een gecompliceerde fractuur door een trauma dat 30 minuten tevoren plaatsvond, bestaat bij voorkeur uit
9
-
224
Xa. een directe pulpa-overkapping,
9
-
225
b. een partiële vitaalamputatie.
9
-
226
81. Een wortelfractuur
9
-
227
Xa. kan niet genezen,
9
-
228
b. toont zich meestal op een röntgenfoto alsof er twee breuken bestaan.
9
-
229
82. Een door trauma enigszins geïntrudeerd nog onvolgroeid permanent gebitselement
9
-
230
a. moet zo spoedig mogelijk op zijn juiste plaats worden gebracht,
9
-
231
Xb. mag met rust gelaten worden, maar moet wel op pulpitis/necrose worden gecontroleerd.
9
-
232
83. Het risico op exarticulatie is het grootste bij
9
-
233
Xa. 7-10-jarigen,
9
-
234
b. 25-30-jarigen.
9
-
235
84. De beste mondbeschermer is
10
-
236
a. het mondgevormde type,
10
-
237
Xb. het individuele type.
10
-
238
85. De verkleuring van dentine veroorzaakt door een endodontische vulling is
10
-
239
Xa. exogeen,
10
-
240
b. endogeen.
10
-
241
86. Onder welk van ondergenoemde verkleuringen door chromogene bacterieën is het glazuur vaak ruw en ontkalkt?
10
-
242
a. de (bruin)zwarte,
10
-
243
Xb. de groene.
10
-
244
87. Milde fluorose, zeker als die bestaat uit enkele bruine vlekken, kan zonder risico van terugval het beste worden behandeld met
10
-
245
Xa. micro-erosieve abrasie.
10
-
246
b. bleken in de praktijkruimte.
10
-
247
88. Bij intern bleken moet
10
-
248
Xa. de endodontische vulling tot minstens 1 mm onder de glazuur-cement grens worden verwijderd,
10
-
249
b. voor insluiten van het bleekmiddel (natriumperboraat) intern worden geëtst.
10
-
250
89. Bij ectodermale dysplasieën komen veel afwijkingen voor, maar vier daarvan (betreffende zweetklieren, haar, nagels en gebit) zijn essentieel. Om de diagnose te mogen stellen moeten van deze vier er minimaal
10
-
251
Xa. twee aanwezig zijn,
10
-
252
b. vier aanwezig zijn.
10
-
253
90. Het syndroom van Down vindt zijn oorzaak in
10
-
254
a. één enkele gemuteerd gen,
10
-
255
Xb. een chromosoom te veel.
10