School of Health
Opleiding Mondzorgkunde
TENTAMEN
Naam:…………………………………….............................................Studentnummer:…………………………….
Toetscode: 3009DM331B kans 1
Toetsnaam: Gebitspathologie
Datum: maart 2013
1. Hypodontie is gebitselementondertal. Deze term geldt ook als het ondertal te danken is aan extracties.
a. Juist.
Xb. Onjuist
2. Als een temporair gebit solitaire agenesie toont, zijn
Xa. meestal de maxillaire snijtanden afwezig.
b. voornamelijk de molaren afwezig.
3. Van alle aangeboren afwijkingen is agenesie van een of meer gebitselementen de meest frequent
voorkomende.
Xa. Juist.
b. Onjuist.
4. De tweede onderpremolaar is vaker afwezig dan de tweede bovenpremolaar.
Xa. Juist
b.Onjuist.
5. Een of meer derde molaren zijn agenetisch bij
a. 4,5% van adolescenten.
Xb. tenminste 10% van de adolescenten.
6. Agenesie van permanente laterale bovensnijtanden is voornamelijk te wijten aan
a. milieufactoren,
Xb. erfelijkheid.
7. Als een laterale bovensnijtand agenetisch is
a. persisteert temporaire voorganger,
Xb. valt de temporaire voorganger uit.
8. Bij de bepaling of een gebit al da niet oligodont is, wordt agenesie van derde molaren
Xa. niet meegerekend,
b. wel meegerekend.
9. Een distomolaar is
a. een eutypisch hyperdont element,
Xb. een atypisch hyperdont element.
10. Een mesiodens is vaak kegeltandvormig, maar kan ook enkele knobbels tonen.
Xa. Juist.
b. onjuist.
1
Opleiding Mondzorgkunde
TENTAMEN
Naam:…………………………………….............................................Studentnummer:…………………………….
Toetscode: 3009DM331B kans 1
Toetsnaam: Gebitspathologie
Datum: maart 2013
1. Hypodontie is gebitselementondertal. Deze term geldt ook als het ondertal te danken is aan extracties.
a. Juist.
Xb. Onjuist
2. Als een temporair gebit solitaire agenesie toont, zijn
Xa. meestal de maxillaire snijtanden afwezig.
b. voornamelijk de molaren afwezig.
3. Van alle aangeboren afwijkingen is agenesie van een of meer gebitselementen de meest frequent
voorkomende.
Xa. Juist.
b. Onjuist.
4. De tweede onderpremolaar is vaker afwezig dan de tweede bovenpremolaar.
Xa. Juist
b.Onjuist.
5. Een of meer derde molaren zijn agenetisch bij
a. 4,5% van adolescenten.
Xb. tenminste 10% van de adolescenten.
6. Agenesie van permanente laterale bovensnijtanden is voornamelijk te wijten aan
a. milieufactoren,
Xb. erfelijkheid.
7. Als een laterale bovensnijtand agenetisch is
a. persisteert temporaire voorganger,
Xb. valt de temporaire voorganger uit.
8. Bij de bepaling of een gebit al da niet oligodont is, wordt agenesie van derde molaren
Xa. niet meegerekend,
b. wel meegerekend.
9. Een distomolaar is
a. een eutypisch hyperdont element,
Xb. een atypisch hyperdont element.
10. Een mesiodens is vaak kegeltandvormig, maar kan ook enkele knobbels tonen.
Xa. Juist.
b. onjuist.
1