Inleiding Staatsrecht, HBO-Rechten, Klas 1
Week 1: De inrichting van de Nederlandse staat
Wat is een staat?
Vier kenmerken:
1. De staat heeft een grondgebied
2. De staat heeft een bevolking
3. Er is sprake van uitoefening van macht of gezag
4. Erkenning van een staat door andere staten
Wat is staatsrecht?
Het staatsrecht omvat al het geldende (= positieve) recht inzake de inrichting van de
overheidsorganisatie (ambtenorganisatie) en haar machtsuitoefening
Normenhiërarchie:
1) Een ieder verbindende verdragsbepaling en rechtstreeks werkend EU-recht
2) Statuut voor een Koninkrijk
3) Grondwet
4) Wet in formele zin
5) Algemene maatregel van bestuur
6) Provinciale verordening
7) Gemeentelijke verordening
Inrichting van de staat:
Constitutionele uitgangspunten voor de inrichting van het rechtssysteem:
1. Het beginsel van de machtenscheiding
2. Het beginsel van de democratische rechtsstaat
Machtenscheiding:
In de grondwet wordt nog steeds de klassieke driedeling gevolgd:
Wetgeving (H3 Grondwet)
Bestuur (H2 Grondwet)
Rechtspraak (H6 Grondwet)
Waarom?
- Tegengaan van machtsconcentratie
- Waarborg voor vrijheid van burgers door macht te verdelen over overheidsorganen
Wetgevende macht:
- Wetgevende macht = regering en SG gezamenlijk (art.81 GW)
- SG bepaalt zijn eigen werkwijze (stelt eigen Reglement van Orde vast, zie art. 72
GW)
- SG benoemt zelf een voorzitter en griffier (art. 61 GW) en beëdigt zelf nieuwe
kamerleden (art. 60 GW)
- Parlementaire immuniteit kamerleden (art. 71 GW)
- Incompabiliteiten (art. 57 GW)
Bestuurlijke macht (= uitvoerende macht)
- Regering = Koning + één of meer ministers en/of staatssecretarissen (art. 42 lid 1
GW)
- Koninklijke onschendbaarheid (art 42 lid 2 GW)
- Incompatibiliteiten (art. 57 GW): minister kan niet ook lid van de SG zijn
- Parlementaire immuniteit (art. 71 GW)
- Beëdiging ministers door Koning (art. 49 GW)
, Rechterlijke macht
Grondwetgever heeft expliciet de zelfstandige en onafhankelijke positie van de rechterlijke
macht ten opzichte van de andere staatsmachten willen vastleggen in de Grondwet! Waar?
- Artikel 117 GW = basis onafhankelijkheid:
Benoeming voor het leven (lid 1)
Schorsing en ontslag rechter door gerecht van rechterlijke macht (lid 3)
- Wet op rechterlijke organisatie = organieke wet
Checks & balances
- Géén absolute scheiding tussen de staatsmachten
- Gedeelde bevoegdheid wetgeving en bestuur. Waaruit blijkt dit? (zie GW)
- Wet in formele zin komt tot stand door samenwerking regering (=bestuur) en SG
(=wetgever)
- Regering heeft bij sommige besluiten SG nodig: zie art. 105 GW en art. 91 GW
- Controle over en weer tussen betrokken staatsorganen! O.a. tussen regering en SG
Democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel
Elk overheidsoptreden moet op een wettelijke grondslag berusten
2. Democratiebeginsel
Volk kiest volksvertegenwoordiger direct (2e kamer) of via getrapt stelsel (1e
kamer). 1e en 2e kamer = SG
Regering en Staten-Generaal = formele wetgever = wetgevende macht (art. 81
GW). Dus volk bepaalt mede de nieuwe wetgeving
3. Machtenscheiding (trias politica)
4. Onafhankelijke rechter
Onpartijdige en onafhankelijke instantie: rechtsmatigheidstoets! De rechter toetst
het optreden van beide andere staatsmachten op rechtmatigheid
5. Waarborging grondrechten
Klassieke grondrechten: bescherming tegen de overheid
Sociale grondrechten: prestatie van de overheid.
Week 1: De inrichting van de Nederlandse staat
Wat is een staat?
Vier kenmerken:
1. De staat heeft een grondgebied
2. De staat heeft een bevolking
3. Er is sprake van uitoefening van macht of gezag
4. Erkenning van een staat door andere staten
Wat is staatsrecht?
Het staatsrecht omvat al het geldende (= positieve) recht inzake de inrichting van de
overheidsorganisatie (ambtenorganisatie) en haar machtsuitoefening
Normenhiërarchie:
1) Een ieder verbindende verdragsbepaling en rechtstreeks werkend EU-recht
2) Statuut voor een Koninkrijk
3) Grondwet
4) Wet in formele zin
5) Algemene maatregel van bestuur
6) Provinciale verordening
7) Gemeentelijke verordening
Inrichting van de staat:
Constitutionele uitgangspunten voor de inrichting van het rechtssysteem:
1. Het beginsel van de machtenscheiding
2. Het beginsel van de democratische rechtsstaat
Machtenscheiding:
In de grondwet wordt nog steeds de klassieke driedeling gevolgd:
Wetgeving (H3 Grondwet)
Bestuur (H2 Grondwet)
Rechtspraak (H6 Grondwet)
Waarom?
- Tegengaan van machtsconcentratie
- Waarborg voor vrijheid van burgers door macht te verdelen over overheidsorganen
Wetgevende macht:
- Wetgevende macht = regering en SG gezamenlijk (art.81 GW)
- SG bepaalt zijn eigen werkwijze (stelt eigen Reglement van Orde vast, zie art. 72
GW)
- SG benoemt zelf een voorzitter en griffier (art. 61 GW) en beëdigt zelf nieuwe
kamerleden (art. 60 GW)
- Parlementaire immuniteit kamerleden (art. 71 GW)
- Incompabiliteiten (art. 57 GW)
Bestuurlijke macht (= uitvoerende macht)
- Regering = Koning + één of meer ministers en/of staatssecretarissen (art. 42 lid 1
GW)
- Koninklijke onschendbaarheid (art 42 lid 2 GW)
- Incompatibiliteiten (art. 57 GW): minister kan niet ook lid van de SG zijn
- Parlementaire immuniteit (art. 71 GW)
- Beëdiging ministers door Koning (art. 49 GW)
, Rechterlijke macht
Grondwetgever heeft expliciet de zelfstandige en onafhankelijke positie van de rechterlijke
macht ten opzichte van de andere staatsmachten willen vastleggen in de Grondwet! Waar?
- Artikel 117 GW = basis onafhankelijkheid:
Benoeming voor het leven (lid 1)
Schorsing en ontslag rechter door gerecht van rechterlijke macht (lid 3)
- Wet op rechterlijke organisatie = organieke wet
Checks & balances
- Géén absolute scheiding tussen de staatsmachten
- Gedeelde bevoegdheid wetgeving en bestuur. Waaruit blijkt dit? (zie GW)
- Wet in formele zin komt tot stand door samenwerking regering (=bestuur) en SG
(=wetgever)
- Regering heeft bij sommige besluiten SG nodig: zie art. 105 GW en art. 91 GW
- Controle over en weer tussen betrokken staatsorganen! O.a. tussen regering en SG
Democratische rechtsstaat:
1. Legaliteitsbeginsel
Elk overheidsoptreden moet op een wettelijke grondslag berusten
2. Democratiebeginsel
Volk kiest volksvertegenwoordiger direct (2e kamer) of via getrapt stelsel (1e
kamer). 1e en 2e kamer = SG
Regering en Staten-Generaal = formele wetgever = wetgevende macht (art. 81
GW). Dus volk bepaalt mede de nieuwe wetgeving
3. Machtenscheiding (trias politica)
4. Onafhankelijke rechter
Onpartijdige en onafhankelijke instantie: rechtsmatigheidstoets! De rechter toetst
het optreden van beide andere staatsmachten op rechtmatigheid
5. Waarborging grondrechten
Klassieke grondrechten: bescherming tegen de overheid
Sociale grondrechten: prestatie van de overheid.