Kenmerkend aspect: de Industriële Revolutie die in de westerse wereld de basis
legde voor een industriële samenleving.
De Vroegmoderne tijd:
Eind 15e eeuw waren boeren autarkisch: ze produceerden zelf wat ze nodig
hadden.
Vanaf 15e eeuw groeiden veel gilden uit tot gesloten groepen met het
monopolie op een ambacht; wie niet tot de gilden werd toegelaten, kon zijn
ambacht niet uitoefenen er ontwikkelde op platteland huisnijverheid (= het
aan huis maken van producten)
Drie uitvindingen:
John Kay vond in 1733 de schietspoel uit; deze wordt tussen scheringdraden
door ‘geschoten’, waardoor weven sneller ging en er bredere stoffen geweven
konden worden.
In 1761 schreef Society of Arts een prijsvraag uit voor het ontwikkelen van
een spinmachine die door één persoon bediend kan worden en tegelijkertijd 6
draden kan spinnen.
James Hargreaves (1740-1778) kwam hier met de Spinning Jenny; een wiel
dat met hand wordt gedraaid, laat een aantal spoelen aan het eind draaien.
Met deze twee machines nam kwantiteit en kwaliteit van productie toe, maar
leef- en werkpatroon van thuiswerkers bleef gelijk.
Dat veranderde met: Richard Arkwright (1732-1792); in zijn machine worden
katoenvezels door paren rollers geleid, de energie kwam van een waterrad
de machine heette waterframe.
De komst van de fabriek:
Waterframe kon niet thuis bediend worden productie in een fabriek; het
gebouw had 6 verdiepingen, machines werden door één groot waterrad
aangedreven ( daarom heten deze ‘fabrieken’ mill)
In een fabriek bepaalden de machine wanneer er gewerkt moest worden, thuis
kon men dat zelf bepalen.
Ondernemers die huisnijverheid organiseerden, investeerden vaak geld in
mills machines veel laten draaien ze haalden families van platteland
naar hun fabriek.
In beginjaren vielen thuiswerkers weleens fabrieken aan, maar dit heeft verder
geen invloed gehad op de industrialisatie.
Het stoomtijdperk breekt aan:
Door waterrad moesten fabrieken bij water zijn ondernemers wilden niet
meer afhankelijk zijn stoommachine.
James Watt (1736-1819) verbeterde de stoommachine tot een machine die
voor talloze doeleinden kon worden gebruikt en ook functie waterrad kon
overnemen.
Een nieuwe samenleving:
Industriële Revolutie = de overgang van huisnijverheid naar fabrieken.
, Gevolgen waren groot: industriële samenleving; huisnijverheid verdween;
snelle bevolkingsgroei en urbanisatie; enorme uitbreiding v.d. mogelijkheden
voor vervoer. Dit deed zich allemaal voor het eerst voor in Groot-Brittannië,
vanaf 1775.
Doordat de economische groei weer sterk toenam in het laatste decennium,
veranderde het karakter van de industrie erg Tweede Industriële Revolutie.
Eerste: technische verbeteringen en uitvindingen afkomstig van hobbyisten
met praktische kennis van productieproces.
Tweede: innovaties hadden een wetenschappelijke basis door toename
interesse natuur- en scheikunde. Elektriciteit werd er gebruikt ipv steenkool;
het is overal te gebruiken dus de communicatie ging sneller en huishoudelijk
werk werd lichter.
Overgang Eerste Tweede zorgde voor overgang van een economie die
gebaseerd was op productie van kapitaalgoederen naar een economie die
gebaseerd was op productie van consumptiegoederen.
De ontwikkeling in Nederland verliep wat minder snel/anders 1850 pas
kwam er een moderne economische groei, waardoor er in de moderne
bedrijfstakken een patroon ontstond dat tot ver in de 20 ste eeuw zou blijven
bestaan.
8.2 MODERN IMPERIALISME
Kenmerkend aspect: de moderne vorm van imperialisme die verband hield met de
industrialisatie.
Grondstoffen:
De vraag naar grondstoffen nam sterk toe waar moesten deze vandaan
komen? Het meest voor de hand lag Amerika, vanwege band met Spanje.
Het Spaanse koloniale rijk was echter door Fransen veranderd, omdat ze
werden bezet door ze maar onafhankelijk wilden blijven en dit zetten alleen
maar door.
De Europeanen focuste zich vanaf 1850 op verovering Afrika en Azië, om
zich voor langere tijd te verzekeren van de aanvoer v. goedkope grondstoffen.
Afzetgebieden:
Motief voor kolonisatie: vinden van afzetmarkten, groeide sterk doordat
Industriële Revolutie ook in andere Europese landen en Amerika doorzette,
hierdoor vielen ze voor Groot-Brittannië als afzet markt weg.
Brits-Indië bestond toen uit het huidige India, Pakistan en Bangladesh.
Engelse fabrikanten zagen inwoners koloniën als toekomstige kopers
producten Britse textielfabrikanten exporteerden groot deel van stoffen
naar Brits-Indië. Andere landen volgden dit voorbeeld.
Tweede helft v.d. 19e eeuw waren veel landen betrokken modern
imperialisme ‘wedloop om Afrika’