2026 (1)
Inhoud van dit bestand
Ruim 150 oefenvragen over hoofdstukken 1, 2, 4 t/m 9, 34 t/m 36 én het nieuwe
hoofdstuk 61 uit Guyton and Hall Textbook of Medical Physiology (Arthur Guyton &
John Hall, 15e druk)
De vragen zijn gecontroleerd op relevantie voor de nieuwste druk (15e druk)
Hoi! Op het moment dat je dit leest, ben jij je waarschijnlijk aan het voorbereiden op het
toelatingsexamen.
Super leuk dat je de pre-master komend jaar wilt gaan doen!
Om je een beetje te helpen, hebben wij in dit document ruim 150 oefenvragen gezet zodat
je alvast een beetje kan oefenen.
We hebben de oefenvragen vertaald naar het Nederlands, omdat het toelatingsexamen ook
in het Nederlands zal zijn.
Dit oefententamen is samengesteld door twee pre-master studenten die beiden via het
toelatingsexamen zijn toegelaten (afgelopen jaar en het jaar daarvoor). Alle vragen zijn op
het niveau van de bachelor Geneeskunde en waren de afgelopen twee jaar sterk
vergelijkbaar met de vragen op het officiële toelatingsexamen. Destijds hebben wij
ontzettend veel gehad aan deze oefenvragen, en nu willen we ze graag met jullie delen!
Zie ook de andere 2 oefententamens die we op stuvia hebben staan als je nog meer wilt
oefenen! :)
We wensen jullie ontzettend veel succes met alle voorbereidingen. Zet ‘m op!
Ps: Mocht je vragen hebben over de PMG in het algemeen, stuur ons dan gerust een
berichtje – het hoeft niet alleen over dit document te gaan.
Mocht je spellings- of vertaalfouten, irrelevante vragen of andere dingen tegenkomen, laat
het dan ook vooral weten.
, Oefententamen
1. Wat veroorzaakt de plateaufase in het actiepotentiaal van een ventriculaire
hartspiervezel?
(a) Ca²⁺-instroom en K⁺-uitstroom
(b) K⁺-uitstroom en Na⁺-instroom
(c) K⁺-instroom en Na⁺-uitstroom
(d) Na⁺-instroom en Ca²⁺-uitstroom
2. De histologische anatomie van de arteriële wand verandert van het centrum (hart) naar
de periferie, aangezien de relatieve hoeveelheden elastisch weefsel en gladde spiercellen
veranderen.
Welke uitspraak beschrijft deze veranderingen van centrum naar periferie correct? Er is ...
(a) een afname van elastisch weefsel en een afname van gladde spiercellen
(b) een afname van elastisch weefsel en een toename van gladde spiercellen
(c) een toename van elastisch weefsel en een afname van gladde spiercellen
(d) een toename van elastisch weefsel en een toename van gladde spiercellen
3. Welke vloeistofcompartiment in het menselijk lichaam is het grootst als percentage van
het lichaamsgewicht? Het totale volume van:
(a) interstitiële vloeistof
(b) intracellulaire vloeistof
(c) extracellulaire vloeistof
4. Wat is de bron van het calcium dat nodig is voor de contractie van skeletspiervezels?
(a) alleen de extracellulaire vloeistof
(b) alleen het sarcoplasmatisch reticulum
(c) zowel de extracellulaire vloeistof als het sarcoplasmatisch reticulum
5. Welke spier zal naar verwachting het meest atrofiëren tijdens normale veroudering?
Een spier die bestaat uit:
(a) voornamelijk type I spiervezels
(b) voornamelijk type II spiervezels
(c) evenveel type I als type II spiervezels
6. Het cytoskelet bevat verschillende typen filamenten met uiteenlopende diktes.
Welke van de volgende filamenten is het dikst?
(a) Actinefilamenten
(b) Intermediaire filamenten
(c) Microtubuli
7. De Na⁺-K⁺-ATPase transporteert Na⁺- en K⁺-ionen cyclisch. Het vereist ATP als
energiebron.
Waarvoor wordt de energie gebruikt?
(a) Het binden van Na⁺-ionen
(b) Het binden van K⁺-ionen
(c) Het binden van zowel Na⁺ als K⁺
(d) Voor het aandrijven van een conformatieverandering van het eiwit