Tijd
,Hoorcollege 1: Homerische &
Archaïsche periode
Deel I - De Homerische Tijd (ca. 1200–800 v.Chr.) ............................................................ 2
1 Inleiding: van het Myceense naar het Homerische tijdperk ........................................... 2
2 De wereld van Homerus ............................................................................................... 2
3 De Homerische mens en waarden ............................................................................... 3
4 Religie en godenbeeld .................................................................................................. 3
5 Economie en levensonderhoud .................................................................................... 4
6 Kunst, taal en het ontstaan van de epiek ...................................................................... 4
7 Politieke en culturele betekenis .................................................................................... 5
8 Samenvatting van de Homerische samenleving ........................................................... 6
9 Conclusie van de Homerische Tijd ............................................................................... 6
Deel II - De Archaïsche Periode (ca. 800–500 v.Chr.)........................................................ 7
1 Inleiding: de heropleving van de Griekse wereld .......................................................... 7
2 Vorming van de polis .................................................................................................... 7
2.1 Betekenis en structuur ......................................................................................... 7
2.2 Politieke kenmerken ............................................................................................ 8
3 Sociale en economische veranderingen ....................................................................... 8
3.1 Landbouwcrisis en kolonisatie ............................................................................. 8
3.2 Economische vernieuwing ................................................................................... 9
4 Politieke hervormingen en tirannieën ......................................................................... 10
4.1 De opkomst van de tiran .................................................................................... 10
4.2 Politieke hervormingen in Athene ...................................................................... 10
5 Religie en identiteit van de polis ................................................................................. 11
5.1 Gemeenschappelijke cultus ............................................................................... 11
5.2 Panhelleense identiteit....................................................................................... 11
6 Kunst en cultuur in de Archaïsche periode ................................................................. 12
6.1 Beeldhouwkunst ................................................................................................ 12
6.2 Architectuur ....................................................................................................... 12
6.3 Literatuur en filosofie ......................................................................................... 12
7 Sparta: het militaire model .......................................................................................... 13
8 Synthese van de Archaïsche periode ......................................................................... 13
9 Conclusie: van Archaïsch naar Klassiek ..................................................................... 14
1
,Deel I - De Homerische Tijd (ca. 1200–800 v.Chr.)
1 Inleiding: van het Myceense naar het Homerische tijdperk
De Homerische Tijd is genoemd naar de epische dichter Homerus, de veronderstelde
auteur van de Ilias en de Odyssee. Deze periode vormt de overgang tussen de Myceense
beschaving (ca. 1600–1200 v.Chr.) en de Archaïsche periode (vanaf ca. 800 v.Chr.).
Ze is dus de “donkere” of post-Myceense periode in de Griekse geschiedenis: een tijd van
politieke neergang maar ook van culturele herbronning.
Na de ondergang van de Myceense paleiscultuur, vermoedelijk rond 1200 v.Chr., door
invallen van de Doriërs of interne crises, verdwenen de grote koninkrijken en het schrift
(Lineair B). De bevolking daalde, handel en kunst stortten in, en men leefde opnieuw in
kleine, zelfvoorzienende gemeenschappen.
Toch legde deze periode de basis voor de latere Griekse samenleving: de waarden, goden
en idealen uit Homerus’ epen werden het morele kompas van de Griekse cultuur.
2 De wereld van Homerus
De Homerische samenleving bestond niet uit steden zoals het latere polis-systeem, maar
uit losse gemeenschappen rond een oikos (huishouden of landgoed).
Het oikos was de fundamentele economische en sociale eenheid, bestaande uit:
● de familie,
● de slaven,
● het land,
● het vee en de opbrengst.
De leider van een oikos was de basileus – letterlijk “koning”, maar in deze tijd eerder een
dorpshoofd of stamleider, gekozen op basis van prestige, rijkdom en krijgshaftigheid.
De macht van de basileus was dus niet absoluut: zijn gezag berustte op persoonlijke
invloed en eer (timè).
Deze timè werd verworven door:
● dapperheid in de strijd,
● vrijgevigheid tegenover volgelingen,
● en wijsheid in raad en oordeel.
2
, De gemeenschap kende daarnaast een groep van oudsten (gerontes) die raad gaven, en
een volksvergadering die bij belangrijke beslissingen kon worden geraadpleegd, hoewel
deze geen formele macht had.
De samenleving was sterk hiërarchisch, met een kleine elite van edelen en veel vrije
boeren, maar zonder vaste instellingen of wetten.
3 De Homerische mens en waarden
De wereld van Homerus wordt gedreven door de waarden van de heroïsche aristocratie.
Het mensbeeld dat uit de Ilias en de Odyssee naar voren komt, is diep geworteld in het
ideaal van eer, roem en wederkerigheid.
Kernbegrip Uitleg
Timè (τιμή) Eer en waardigheid, meestal verworven door daden in de oorlog.
Kleos (κλέος) Roem, vooral de blijvende faam die men verwerft door heroïsche daden; het
hoogste levensdoel.
Arete (ἀρετή) Deugd in de zin van uitmuntendheid of voortreffelijkheid; het vermogen om het
beste uit zichzelf te halen.
Aidos (αἰδώς) Schaamte of eergevoel; het besef van morele grenzen en respect tegenover
anderen.
Deze waarden vormden een competitieve erecode.
Elke edelman moest voortdurend zijn arete bewijzen in strijd of raad.
Het falen om eer te behalen of om wraak te nemen op een belediging werd als een verlies
van identiteit beschouwd.
Voorbeeld: In de Ilias weigert Achilles te vechten nadat Agamemnon hem
beledigd heeft door zijn buit (Briseïs) af te nemen. Niet de buit op zich, maar de
aantasting van zijn eer is de kern van zijn woede.
De Homerische wereld was dus persoonlijk en relationeel, niet institutioneel: macht was
moreel, niet juridisch gelegitimeerd.
4 Religie en godenbeeld
3