Kent de anatomie van het hart;
Begrijpt de werking van de hartkleppen;
Kan de hartcyclus beschrijven;
Weet hoe de hartactie tot stand komt;
Kan de termen: frequentie, regulariteit en aequiliteit (gelijkmatigheid)
uitleggen;
Kent de basisprincipes van het ECG;
Herkent de hartactie op het ECG en kan benoemen welk deel van het ECG,
welk deel van de hartactie representeert;
Weet hoe de harttonen ontstaan en wat de term hartruis betekent;
Weet wat bedoeld wordt met de hartcapaciteit en het hartminuutvolume;
Heeft inzicht in de hartcirculatie;
Kent de verschillende bloedsomlopen, hun functie en de route die deze
aflegt;
Is bekend met de term “dubbele bloedsomloop”;
Weet hoe uitwisseling van stoffen tussen bloed en weefselvocht plaatsvindt
en welke drukken daarbij een rol spelen.
Weet wat er verwacht wordt ten aanzien van toetsing
Weet wat de taal- en spellingseisen zijn op de HAN
Weet wat de Notitie Taalvaardigheid inhoudt
Weet waar zijn/haar sterke en zwakke punten liggen met betrekking tot het
schrijven van schriftelijke producten
Kent de knock-out criteria met betrekking tot notitie Taalvaardigheid
Kan de APA-bronverwijzing correct toepassen
o wat APA is en waarom je hiervan gebruik maakt voor jouw studie;
o hoe je verwijst naar APA in de tekst en in de bronnenlijst;
o waar je de belangrijkste informatie over APA kunt vinden.
LESWEEK 2
kent de anatomie en fysiologie van het hart. (met name de opbouw en functie
van de bloedvaten is deze week van belang, met extra aandacht voor de
kransslagaders).
kent de indeling van coronaire hartziekten en kan het onderscheid tussen de
verschillende ziektebeelden toelichten m.b.v. de begrippen ischemie
(voorbijgaand en niet-voorbijgaan) en necrose.
kent de etiologie, pathofysiologie, symptomen, diagnostiek, behandeling,
complicaties en preventie van coronaire hartziekten (AP, ACS).
kent de behandeling van coronaire hartziekten en kan daarbij onderscheid
maken tussen de initiële behandeling, medicamenteuze
, behandeling, reperfusietherapie (PCI, CABG, trombolyse) en secundaire
behandeling.
Kent de verpleegkundige aandachtspunten die van belang zijn bij coronaire
hartziekten.
Weet wat EBP inhoudt
Weet waarom het belangrijk is om interventies te onderbouwen
Weet wat een PICO inhoudt
Kan aan de hand van een vraagstelling een juiste PICO opstellen
Kan wetenschappelijke literatuur zoeken, vinden en beoordelen in HANQuest
Kan systematisch zoeken op HANQuest en kent andere zoekmachines zoals
Pubmed, Cinahl en Cochrane
Kan benoemen wat een verpleegkundige doet als organisator
Heeft kennis van organiseren van zorg op micro-, meso- en macroniveau
Kan in eigen woorden benoemen wat wordt verstaan onder ‘verpleegkundig
leiderschap’
Kan benoemen welke eigenschappen hij/zij reeds bezit welke ondersteunend zijn aan
het tonen verpleegkundig leiderschap in toekomstig beroep, en welke eigenschappen
hij/zij nog graag wil ontwikkelen
Voer je een (deel van een) basisanamnesegesprek uit waarbij je de geleerde
methodiek van een anamnesegesprek toepast.
LESWEEK 3
De student kent de etiologie, pathofysiologie, symptomen, diagnostiek,
behandeling, complicaties en preventie van shock.
De student kent de verschillende vormen van shock en de verschillende
ontstaanswijzen en behandelingen.
Je kunt met voorbeelden uitleggen wat met de kunst van het vragen stellen
bedoeld wordt.
Je kunt het belang van een onderzoekende houding met heldere argumenten
motiveren.
Je bent jezelf bewust van je persoonlijke uitdagingen in de opleiding en je
kunt deze bespreekbaar maken.
Je kunt de essentie en het doel van reflecteren benoemen
Je kunt je eigen kernkwaliteiten en valkuilen benoemen
Kent de stappen voor praktijkonderzoek
Weet wat EBP inhoudt
Kent verschillende onderzoeksvragen
Kan samenvatten wat het belang is van een pijnanamnese, hoe deze verschilt
van een algemene anamnese en wat belangrijke aandachtspunten zijn.
Weet wat de richtlijn pijn is, wanneer je pijn medicatie dient te geven.
Kan een (deel van een) pijnanamnesegesprek uitvoeren waarbij je de
methodiek van een pijnanamnese en gevonden belangrijke aandachtspunten
toepast.
,LESWEEK 4
uitleggen wat de normale pompfunctie is van het hart en welke factoren
hierin een rol spelen.
uitleggen wat er gebeurt wanneer de pompfunctie van het hart tekort schiet
(decompensatio cordis) en tot welke symptomen dit kan leiden. In dit kader
kent de student de betekenis van de begrippen: linkszijdig- en rechtszijdig
hartfalen, back- en forwardfailure, systolisch en diastolisch hartfalen en
astma cardiale.
toelichten wat de belangrijkste oorzaken zijn waardoor hartfalen kan
ontstaan.
toelichten op welke manier de diagnostiek naar hartfalen plaatsvindt. De
student kent in dit kader de belangrijkste bevindingen bij anamnese,
lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek.
Uitleggen op welke manier behandeling van decompensatio cordis
plaatsvindt (acute en chronische behandeling; medicamenteus en niet-
medicamenteus) en wat de rationale hierachter is.
In grote lijnen uitleggen wat de logica is achter het gebruik van diuretica, ACE-
remmers en bèta-blokkers bij de behandeling van hartfalen.
Uitleggen wat de NYHA-classificatie is en wat deze indeling betekent voor de
prognose van de patiënt.
Je kunt verschillende reflectiemethodieken benoemen en benoemen wanneer
deze ingezet kunnen worden
Je hebt geoefend met het herkennen van gedrag, gedachten en emoties die in
iedere handeling/situatie schuilgaan
Je kunt het verschil tussen evalueren en reflecteren benoemen
Je hebt geoefend met het reflecteren op eigen gedrag, gedachten en emoties
Weet wat het begrip ‘gezondheidsbevordering’ inhoudt
Kent de rol van de verpleegkundige als gezondheidsbevorderaar (en
bijbehorende kennis, houding en vaardigheden).
Kan benoemen wat ‘preventie’ is.
Kan benoemen waarom preventie belangrijk is.
Kan een voorbeeld benoemen van een preventieve handeling in relatie tot
een verpleegkundige diagnose
Ben je bekend met het spinnenweb van positieve gezondheid, shared
decision making en wat belangrijke aandachtspunten zijn bij de toepassing
daarvan in gesprekken met patiënten.
Voer je een (deel van een) voorlichtingsgesprek over leefstijl uit waarbij je het
spinnenweb van positieve gezondheid, shared decision making en gevonden
belangrijke aandachtspunten toepast.
,LESWEEK 5
benoemen hoe het genetisch materiaal van de mens opgeslagen is en hoe de
normale celcyclus eruit ziet
de verschillen benoemen tussen een gewone cel en een kankercel en solide
en niet-solide tumoren
benoemen welke eigenschappen een kankercel heeft en wat het verschil is
tussen een benigne en maligne tumor
benoemen door welke invloeden kanker kan ontstaan
benoemen met welke symptomen een patiënt met kanker zich kan
presenteren
de belangrijkste signalen benoemen die kunnen wijzen op een oncologische
aandoening
benoemen welke diagnostiek en behandelvormen er bij kanker kunnen
worden ingezet
in eigen woorden de verschillende wegen van metastasering benoemen
het principe van stadiëring (TNM-classificatie) van een patiënt met kanker
uitleggen
de werking van de meest gebruikte behandelingen en hun bijwerkingen in
eigen woorden uitleggen
in eigen woorden het verschil tussen een palliatieve, (neo)-adjuvante en een
curatieve behandeling uitleggen
de begrippen die te maken hebben met de prognose van een patiënt met
kanker benoemen toelichten
Uit een anamnese zelfstandig de (dis)-functionele patronen halen
Kan minimaal twee verpleegproblemen opstellen en deze prioriteren
De etiologische factoren juist beschrijven
Een passend doel SMART opstellen die slaat op het verpleegprobleem
Passende verpleegkundige interventies bedenken die bijdragen om het doel
te behalen
De student benoemt wat bijdraagt aan constructief overleg met de cliënt en
zijn naaste(n).
De student benoemt hoe een verpleegkundige de cliënt en diens naaste(n)
ondersteunt in de besluitvorming.
De student benoemt met welke zorgprofessionals de verpleegkundige in de
praktijk samenwerkt.
vat je samen wat belangrijke aandachtspunten zijn in het contact met
naasten.
voer je een (deel van een) gesprek waarbij je de gevonden belangrijke
aandachtspunten in het contact met naasten toepast.
,LESWEEK 6
Uitleggen wat de belangrijkste risicofactoren zijn voor het ontstaan van een
mammacarcinoom en ovariumcarcinoom. De student kan hierbij onderscheid
maken tussen endogene en exogene risicofactoren.
Aangeven wat de symptomen kunnen zijn van het mammacarcinoom en het
ovariumcarcinoom, inclusief zogenaamde “alarmsignalen”.
Aangeven hoe in grote lijnen het diagnostisch proces (lichamelijk onderzoek
en aanvullend onderzoek) eruit zie bij een patiënt met een verdenking
op mammacarcinoom/ ovariumcarcinoom en hoe uiteindelijk de diagnose
wordt gesteld.
Het principe van de TNM-classificatie uitleggen bij een patiënt
met mammacarcinoom.
Het metastaseringpatroon van beide vormen van
kanker beschrijven. Specifiek voor mammacarcinoom kent de student in
grote lijnen het principe van de schildwachtklierprocedure. Ook kan de
student benoemen naar welke organen beide vormen van kanker het vaakst
metastaseren.
In grote lijnen aangeven wat de behandelmogelijkheden zijn voor een patiënt
met mammacarcinoom/ ovariumcarcinoom en wat hierbij mogelijke
bijwerkingen kunnen zijn.
In grote lijngeven wat de prognose is voor een patiënt
met mammacarcinoom/ ovariumcarcinoom en van welke factoren de
prognose afhankelijk is.
Uitleggen hoe het bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Nederland in zijn
werk gaat.
atiëntenrechten en de toepassing daarvan in de praktijk
Patiëntveiligheid in relatie tot bekwaamheid en bevoegdheid
Wet- en regelgeving die van toepassing zijn op de verpleegkundige
beroepsuitoefening
De termen bevoegd, bekwaam, voorbehouden en/of risicovolle handelingen
Wat protocollen en richtlijnen zijn en hoe deze zich verhouden tot de
verpleegkundige beroepsuitvoering
Hoe de kwaliteit van zorg wordt geborgd dan wel verbeterd.
De eigen waarden en normen en die van de beroepscode.
In hoeverre de verpleegkundige een bijdrage levert aan de ontwikkeling van
het verpleegkundig beroep.
Hoe, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving er vanuit een
holistisch perspectief zorg in de praktijk verleend wordt.
Vat je samen wat essentieel is bij de communicatieve vaardigheden in de zorg
voor mensen met depressieve klachten.
Kan juist verwijzen volgens APA
Kan een PICO opstellen
, Kan wetenschappelijk onderbouwde interventies vinden op verschillende
zoeksystemen
LESWEEK 7
Kan toelichten wat de DSM-5 is en waarvoor deze gebruikt kan worden. Ook
kent de student enkele veelgenoemde kritiekpunten t.a.v. de toepassing van
de DSM-5 binnen de huidige zorgpraktijk.
Kan aangeven wat het onderscheid is tussen depressieve
stemmingsstoornissen en bipolaire stemmingsstoornissen
Kan benoemen wat de DSM-5-criteria zijn voor een depressieve stoornis en
wat enkele veelvoorkomende verpleegkundige diagnosen zijn bij een
depressieve stoornis.
Kan aangeven welke risicofactoren en welke oorzakelijke factoren een rol
kunnen spelen in het ontstaan van een depressie en uitleggen hoe deze met
elkaar samenhangen.
Kan aangeven wat de belangrijkste groepen interventies zijn die kunnen
worden ingezet bij een depressieve stoornis. Van enkele specifieke
interventies kent de student de behandeling meer in detail
(leefstijlinterventies, medicamenteuze behandeling en ECT)
Kan in een presentatie aantonen wat zij verstaan onder de verschillende
CanMeds-rollen
Kan praktische voorbeelden geven die behoren bij de verschillende CanMeds-
rollen
Kan op een duidelijke manier kort en bondig de boodschap overbrengen
Weet welke zorg technologische interventies er zoal zijn en welke toepasbaar zijn in
verschillende situaties
Kan een zorg technologische interventie toepassen aan de hand van een gesprek met
de simulant
,LESWEEK 1
Kent de anatomie van het hart;
Het hart is een spier die bloed door het lichaam pompt. Het bestaat uit vier
kamers: de twee boezems en de twee kleppen. De boezems, ook wel atria
genoemd, zijn de bovenste twee kamers van het hart. Ze ontvangen bloed vanuit
het lichaam en de longen. De kleppen, ook wel ventrikels genoemd, zijn de
onderste twee kamers van het hart. Ze pompen het bloed naar het lichaam en de
longen. Tussen de atria en de ventrikels bevinden zich kleppen die ervoor zorgen
dat het bloed alleen in één richting kan stromen. Het hart heeft ook twee grote
bloedvaten, de arteria aorta en de vena cava, die het bloed naar respectievelijk
het lichaam en de longen transporteren.
Begrijpt de werking van de hartkleppen;
Er zijn vier hartkleppen in het hart: de aortaklep, de mitralisklep, de
tricuspidalisklep en de pulmonalis klep. Ze zorgen ervoor dat het bloed
alleen in één richting kan stromen en voorkomen dat het bloed
terugstroomt naar de kamers van het hart waar het al vandaan is
gekomen.
De aortaklep bevindt zich tussen de linker ventrikel (de onderste linker
kamer van het hart) en de arteria aorta (de grote bloedvat die bloed naar
het lichaam transporteert). Deze klep opent zich als de linker ventrikel
samentrekt om het bloed naar de aorta te pompen.
De mitralisklep bevindt zich tussen de linker atrium (de bovenste linker
kamer van het hart) en de linker ventrikel. Deze klep opent zich als het
bloed vanuit het linker atrium naar de linker ventrikel stroomt.
De tricuspidalisklep bevindt zich tussen het rechter atrium (de bovenste
rechter kamer van het hart) en de rechter ventrikel (de onderste rechter
kamer van het hart). Deze klep opent zich als het bloed vanuit het rechter
atrium naar de rechter ventrikel stroomt.
De pulmonalisklep bevindt zich tussen de rechter ventrikel en de arteria
pulmonalis (de bloedvat die bloed naar de longen transporteert). Deze
klep opent zich als de rechter ventrikel samentrekt om het bloed naar de
arteria pulmonalis te pompen.
Kan de hartcyclus beschrijven;
De hartcyclus bestaat uit twee fasen: de diastole en de systole. Tijdens de
diastole ontspannen de kamers van het hart zich, waardoor het bloed naar
de kamers van het hart kan stromen. Tijdens de systole samentrekken de
, kamers van het hart, waardoor het bloed naar het lichaam of de longen
wordt gepompt.
De hartcyclus begint met de diastole van de linker en rechter boezem.
Tijdens deze fase ontspannen de boezems zich en vullen zich met bloed.
De aortaklep en de pulmonalis klep zijn gesloten, terwijl de mitralisklep en
tricuspidalisklep open zijn.
Vervolgens begint de systole van de linker en rechter ventrikel. Tijdens
deze fase samentrekken de ventrikels en pompen het bloed naar het
lichaam en de longen. De aortaklep en pulmonalis klep openen zich, terwijl
de mitralisklep en tricuspidalisklep gesloten zijn.
Na de systole sluiten de aortaklep en pulmonalis klep zich en begint de
diastole van de linker en rechter boezem opnieuw. Deze cyclus herhaalt
zich continu zolang het hart functioneert.
Weet hoe de hartactie tot stand komt;
De hartactie, ook wel de hartslag genoemd, komt tot stand door
elektrische impulsen die door het hart worden geleid. Deze impulsen zijn
afkomstig van de sinusknoop, een bundel zenuwcellen in de rechter
boezem van het hart.
De sinusknoop zendt elektrische impulsen uit die zich via het hart
verplaatsen en ervoor zorgen dat de hartspier samentrekt. Als de hartspier
samentrekt, wordt het bloed uit de kamers van het hart gepompt.
De elektrische impulsen bewegen zich van de sinusknoop naar de atria en
vervolgens naar de ventrikels. Als ze de ventrikels bereiken, trekt de
hartspier samen en wordt het bloed naar het lichaam of de longen
gepompt.
De hartactie kan ook worden beïnvloed door andere factoren, zoals stress,
hormonen en medicatie. Als de hartactie afwijkt van het normale patroon,
kan dit duiden op een aandoening van het hart.
Kan de termen: frequentie, regulariteit en aequiliteit (gelijkmatigheid)
uitleggen;
Frequentie: De frequentie van de hartactie is het aantal keer per minuut
dat het hart samentrekt. Dit wordt ook wel de hartslag genoemd. Bij
volwassenen ligt de normale hartslag tussen de 60 en 100 slagen per